SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1141 WAJONG
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 23 april 2025
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de Wajong-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 november 2019 heeft herzien en een bedrag van € 37.310,52 aan onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering heeft teruggevorderd. Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv terecht een boete van € 879,84 heeft opgelegd. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv de door appellant genoten inkomsten terecht op zijn Wajong-uitkering in mindering heeft gebracht en dat het Uwv terecht een boete heeft opgelegd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Voor appellant is mr. Kaya verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Naar aanleiding van een melding van de politie uit 2019 over een witwasonderzoek en een hennepkwekerij in de woning van appellant heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende Wajong-uitkering. In dat kader heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn bankafschriften gevorderd en heeft een toezichthouder gesprekken gevoerd met appellant en zijn ex-partner.
De resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 6 maart 2020, zijn voor het Uwv aanleiding geweest om bij besluit van 28 mei 2020 de Wajong-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 november 2019 te herzien en de over die periode onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering, na verrekening, tot een bedrag van € 37.989,12 terug te vorderen. Daarnaast heeft het Uwv bij een ander besluit van 28 mei 2020 appellant een boete van € 5.466,67 opgelegd. Bij twee besluiten van 4 juni 2020 heeft het Uwv de terugvordering en boete ingevorderd en bij besluit van 21 augustus 2020 heeft het Uwv aan appellant gemeld dat vanaf 1 september 2020 maandelijks een bedrag van € 73,32 wordt ingehouden op zijn uitkering.
Daarnaast heeft het Uwv bij besluit van 15 januari 2020 de Wajong-uitkering van appellant vanaf 1 februari 2020 geschorst. Bij besluit van 27 april 2020 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant van 1 februari 2019 tot 9 juli 2019 ingetrokken. Bij besluit van 15 februari 2021 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant vanaf 1 februari 2021 geschorst. Bij besluit van 25 maart 2021 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant vanaf 1 april 2021 geschorst.
Op 4 mei 2021 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de in 1.2 en 1.3 vermelde besluiten van het Uwv. Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2020 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de andere besluiten niet-ontvankelijk verklaard.
Op 21 februari 2023 heeft de rechtbank Overijssel uitspraak gedaan en daarin het beroep van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2021 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 september 2024 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. De Raad heeft hierbij overwogen dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat de in 1.2 en 1.3 genoemde besluiten op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Het Uwv heeft, met uitzondering van het besluit van 25 maart 2021, niet aannemelijk gemaakt dat die besluiten zijn verzonden op de in 1.2 en 1.3 genoemde data en evenmin op 5 januari 2021. Dat betekent dat de bezwaartermijn niet op de in 1.2 en 1.3 genoemde data is gaan lopen en ook niet op 5 januari 2021. Het Uwv had de bezwaren van appellant niet wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mogen verklaren, maar deze inhoudelijk moeten behandelen.
Het Uwv heeft bij besluit van 23 april 2025 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 15 januari 2020 en 15 februari 2021 niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. Het Uwv heeft daarnaast het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 april 2020 gegrond verklaard en dit besluit ingetrokken. Het Uwv heeft de bezwaren tegen de besluiten van 28 mei 2020 en 4 juni 2020 (herziening en terugvordering) eveneens gegrond verklaard, in zoverre dat het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op € 37.310,52 bruto. De bezwaren tegen de besluiten van 28 mei 2020 en 4 juni 2020 (boete) heeft het Uwv gegrond verklaard, in zoverre dat het boetebedrag wordt vastgesteld op € 879,84. Het bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2020 heeft het Uwv tot slot ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
2. Appellant is het met het bestreden besluit niet eens. Hij heeft tegen dit besluit aangevoerd dat het Uwv de hoogte van de terugvordering onvoldoende heeft onderbouwd en nader onderzoek had moeten doen naar de inkomsten die appellant zou hebben verworven. In werkelijkheid heeft appellant minder verdiend dan waar het Uwv van is uitgegaan. Zo zijn de stortingen op de rekening van zijn ex-partner niet van hem, zodat deze niet kunnen worden aangemerkt als inkomen. De bedragen van € 4.000,- en € 7.000,- op zijn rekening zijn daarnaast deels aan te merken als lening en behoren verder toe aan vrienden. Ook dit is geen inkomen. Verder had het Uwv de Wajong-uitkering in de periode voor 1 april 2019 niet mogen herzien en terugvorderen. Het Uwv heeft zelf onnodig lang gewacht met het verrichten van onderzoek, waardoor de terugvordering hoog is opgelopen. Dit dient voor rekening en risico van het Uwv te komen.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien het standpunt, zoals dat is neergelegd in het bestreden besluit, te wijzigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of het Uwv terecht de Wajong-uitkering van appellant heeft herzien en teruggevorderd en terecht een boete heeft opgelegd aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Herziening en terugvordering
Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van betrokkene om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Appellant heeft erkend dat hij in de te beoordelen periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht die hij niet heeft gemeld. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat appellant geen concrete, verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden en inkomen heeft verschaft, was het Uwv bevoegd om dat inkomen schattenderwijs vast te stellen. Het Uwv is daarbij uitgegaan van de stortingen op de bankrekeningen van appellant en van zijn expartner, omdat beiden hierover ten overstaande van een toezichthouder van het Uwv hebben verklaard dat dit geld afkomstig was van appellant. Dit komt neer op een bedrag van € 56.417,- in de te beoordelen periode. Vervolgens heeft het Uwv berekend dat appellant gemiddeld € 1.200,36 per maand heeft ontvangen. Dit bedrag is in mindering gebracht op het recht op uitkering. Anders dan appellant heeft gesteld, is deze berekening zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. De stellingen van appellant dat zijn ex-partner niet eerlijk heeft verklaard over de herkomst van de stortingen en dat het Uwv onvoldoende heeft doorgevraagd tijdens de gesprekken met appellant en zijn ex-partner, slagen niet. Appellant heeft in het geheel niet onderbouwd dat zowel zijn eigen eerdere verklaring als die van zijn ex-partner onjuist is. Dit geldt eveneens voor de stortingen van € 4.000,- en € 7.000,- op zijn rekening, waarvan appellant heeft verklaard dat het een lening en geld van vrienden betrof. Ook deze stelling heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv in beginsel verplicht was om de onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering te herzien en terug te vorderen. De Raad is van oordeel dat het Uwv in dit geval zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de herziening en terugvordering alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. De oorzaak van de herziening en terugvordering is volledig aan appellant te wijten en het Uwv heeft adequaat en voortvarend gehandeld na de melding van de politie uit 2019. Het Uwv heeft mede daarom geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien.
Boete
Uit 4.2 volgt dat vaststaat dat appellant niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant heeft daarmee de inlichtingenverplichting geschonden en hem kan hiervan een verwijt worden gemaakt. Het Uwv was daarom gehouden een boete op te leggen. Het Uwv is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft, rekening houdende met de draagkracht van appellant, daarom een boete opgelegd van € 879,84. Deze opgelegde boete is evenredig.
Conclusie en gevolgen
Het beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van de Wajong-uitkering in stand blijven. Daarnaast blijft de boete van € 879,84 in stand.
5. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en A.I. van der Kris en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.G.J. van Eck