ECLI:NL:CRVB:2026:1082

ECLI:NL:CRVB:2026:1082

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 24/2748 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht op de WW-uitkering van appellant de helft in mindering heeft gebracht gedurende 26 weken, omdat appellant zijn verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt niet is nagekomen en dit hem niet in overwegende mate kan worden verweten. Het Uwv is niet gebonden aan de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en ex-werkgever. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

24/2748 WW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2024, 23/2898 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[stichting ex-werkgever] te [vestigingsplaats] (ex-werkgever)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht op de WW-uitkering van appellant de helft in mindering heeft gebracht gedurende 26 weken, omdat appellant zijn verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt niet is nagekomen en dit hem niet in overwegende mate kan worden verweten. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.S. Rozenbeek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De ex-werkgever heeft te kennen gegeven als partij te willen deelnemen aan dit geding.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rozenbeek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele en mr. B. de Paus. De ex-werkgever is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Appellant was vanaf 2006 in dienst van ex-werkgever en werkzaam als leerkracht op een openbare basisschool. Op 28 augustus 2017 hebben de ouders van een (oud-)leerlinge van de school melding gemaakt van misbruik van hun dochter door appellant in de zomer van 2010. Op 29 augustus 2017 heeft de ex-werkgever de melding met appellant besproken en hem vervolgens geschorst voor de duur van de justitiële procedure. De strafrechter heeft appellant bij vonnis van 11 oktober 2018 vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit (ontucht). In hoger beroep is dat oordeel in stand gebleven. De ex-werkgever heeft het dienstverband met appellant per 1 januari 2019 beëindigd, primair op grond van plichtsverzuim en subsidiair wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk. Appellant heeft op 2 januari 2019 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 28 januari 2019 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 januari 2019 een WW-uitkering toegekend op voorschotbasis in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar tegen het ontslagbesluit. Daarbij is vermeld dat de WW-uitkering moet worden teruggevorderd als sprake is van verwijtbare werkloosheid.

Bij besluit van 20 mei 2019 heeft de ex-werkgever het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Holland heeft bij uitspraak van 31 maart 2020 (19/2903) het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 april 2020 (primaire besluit) heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 1 januari 2019 een WW-uitkering toe te kennen omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Het Uwv heeft tevens aangekondigd de aan appellant verleende voorschotten op de WW-uitkering terug te vorderen.

Bij besluit van 17 juni 2021 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 april 2020 ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant per 1 januari 2019 wel recht heeft op een WWuitkering, maar dat deze blijvend geheel wordt geweigerd, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2020 (ontslagzaak), hebben de ex-werkgever en appellant nader overleg gevoerd over de beëindiging van het dienstverband. Op 26 mei 2021 hebben zij een vaststellingsovereenkomst gesloten. Zij hebben in deze overeenkomst afgesproken dat het dienstverband eindigt per 1 januari 2019 wegens overige gewichtige redenen, zoals bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onder k, van de CAO Primair Onderwijs 2018-2019 en dat deze ontslaggrond in de plaats treedt van de oorspronkelijke ontslaggrond in het primaire ontslagbesluit. Er is tevens een compensatie van € 20.548,- bruto afgesproken en appellant en de ex-werkgever verlenen elkaar, na betaling van deze compensatie, finale kwijting.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 november 2022 (21/3243) het beroep van appellant tegen bestreden besluit I gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft ook bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

Naar het oordeel van de rechtbank is appellant verwijtbaar werkloos geworden, omdat aan de werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt en appellant daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft overwogen dat van een leerkracht in het algemeen mag worden verwacht dat hij te allen tijde een professionele afstand bewaart tot zijn leerlingen. Ongeacht of dat al dan niet is vastgelegd in een officiële gedragscode. Uit het dossier komt, kort samengevat, naar voren dat appellant een nauw contact heeft onderhouden met een (oud-)leerlinge. Hij heeft dat contact zelf omschreven als een vertrouwensband. Hij heeft de (oud-)leerlinge buiten school ontmoet, sms-contact met haar onderhouden en haar thuis een aantal maal ontvangen, zonder daarover de school en de ouders te informeren. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk niet de professionele afstand in acht genomen die van een leraar ten opzichte van een leerling verwacht mag worden. Hij heeft daarmee zichzelf, en uiteindelijk ook de school, in een kwetsbare positie gebracht. Het niet houden van een professionele distantie en het niet voldoende transparant zijn, is het aspect wat het zwaarste weegt en is ook wat de exwerkgever appellant in essentie verwijt. Naar de rechtbank heeft begrepen had appellant, zoals hij dat zelf heeft omschreven, een vertrouwensband opgebouwd met de in emotionele problemen verkerende (oud-)leerlinge, maar dat laat onverlet dat hij, juist vanuit zijn positie als leraar, daar zeer prudent mee had moeten omgaan. Hij had over die band moeten communiceren, zeker richting de school. Hierbij is niet relevant of deze feiten zich hebben voorgedaan in de periode waarin de leerlinge op school zat dan wel nadat de leerlinge de school verlaten had. Ook de stelling van appellant dat de ouders van de leerlinge om bijzondere/extra aandacht voor haar hadden gevraagd, brengt daarin geen verandering. Naar het oordeel van de rechtbank kan appellant van deze dringende reden een verwijt worden gemaakt. Het Uwv was daarom gehouden een maatregel op te leggen.

Met betrekking tot de vraag of het niet nakomen van de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, hem al dan niet in overwegende mate kan worden verweten heeft de rechtbank van belang geacht dat de situatie is ontstaan doordat appellant op initiatief van de ouders van de leerlinge extra aandacht aan haar is gaan besteden en, zoals hij onweersproken stelt, de leerlinge hem telkens opzocht. Uitgaande van de verklaring die appellant heeft afgelegd was er een vertrouwensband ontstaan en kunnen de gedragingen van appellant niet los worden gezien van de context van zo’n band. De rechtbank heeft hierbij ook de overwegingen in het vonnis van de strafrechter in aanmerking genomen. De rechtbank is uitgegaan van de goede bedoelingen van appellant, zonder daarmee afbreuk te doen aan de duiding van de ex-werkgever dat appellant daarbij de professionele distantie niet in acht heeft genomen met alle gevolgen van dien voor het dienstverband. Dat levert naar het oordeel van de rechtbank verzachtende omstandigheden op. Gezien deze omstandigheden en rekening houdend ook met de voor appellant al zeer vergaande gevolgen van het ontslag kan naar het oordeel van de rechtbank de werkloosheid appellant niet in overwegende mate worden verweten. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van wat de rechtbank heeft overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij brief van 23 november 2023 heeft het Uwv appellant meegedeeld te berusten in deze uitspraak en daaraan uitvoering te geven. Ook appellant en de ex-werkgever hebben tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel aangewend.

Met een nieuwe beslissing op bezwaar van 8 februari 2023 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 april 2020 alsnog gegrond verklaard, in zoverre dat appellant de werkloosheid niet in overwegende mate wordt verweten en dat dit betekent dat appellant met ingang van 1 januari 2019 wel een WWuitkering ontvangt, maar dat deze uitkering wordt verlaagd met vijftig procent gedurende 26 weken.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit II gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd, namelijk voor zover het ziet op de motivering van de berekening van het bedrag op de uitkering, bepaald dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit II in stand blijven en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

De rechtbank heeft vooropgesteld dat de vraag of appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, thans niet meer aan de orde is. De rechtbank heeft immers met de uitspraak van 11 november 2022 geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en het Uwv daarom gehouden was een maatregel op te leggen. Nu appellant van deze uitspraak niet in hoger beroep is gegaan, staat dit oordeel vast. De beroepsgronden die zijn aangevoerd aangaande de vraag of appellant verwijtbaar werkloos is geworden falen derhalve. Thans is, gelet op artikel 27 van de WW, nog slechts aan de orde de vraag welke maatregel aan appellant dient te worden opgelegd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak geoordeeld dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust en dit tot uitgangspunt genomen bij bestreden besluit II. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het Uwv de helft van het bedrag tijdelijk (over ten hoogste 26 weken) op de uitkering in mindering. In artikel 27, elfde lid, van de WW wordt vervolgens bepaald hoe het bedrag, dat in mindering wordt gebracht, wordt berekend.

De rechtbank heeft appellant gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv een niet nader gemotiveerde matigingsformule heeft gehanteerd. Zowel in bestreden besluit II als in het verweerschrift heeft het Uwv slechts volstaan met een verwijzing naar artikel 27, elfde lid, van de WW. Een berekening ontbreekt. In de gewijzigde beslissing op bezwaar wordt enerzijds verwezen naar een nabetaling en de wettelijke rente die hieruit volgt, terwijl anderzijds wordt verwezen naar de omstandigheid dat appellant sinds 22 januari 2022 een bedrag van € 100,- terugbetaalt. Inzichtelijk is dit echter niet en bij gebreke van een ordentelijke berekening heeft de rechtbank geconcludeerd dat de gewijzigde beslissing op bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het Uwv heeft op verzoek van de rechtbank voorafgaande aan de zitting alsnog een berekening overgelegd, maar dat heeft niet tot gevolg dat genoemd oordeel anders komt te luiden.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de helft van het bedrag op de uitkering tijdelijk in mindering is gebracht voor de gehele periode van 26 weken. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de Wet wijziging WW-stelsel en overwogen dat de zinsnede ‘over ten hoogste 26 weken’ verband houdt met het feit dat sinds 1 oktober 2006 ook recht kan bestaan op een uitkering van minder dan zes maanden. De verlaging vindt dus plaats over de volledige uitkeringsduur, maar ten hoogste over een duur van zes maanden.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft de rechtbank niet laten slagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant dit beroep niet onderbouwd. Bovendien is het Uwv gehouden om de maatregel op te leggen. Gelet op het verplichtende karakter van artikel 27, eerste lid, van de WW bestaat aldus in beginsel geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant erkent dat in rechte vaststaat dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Appellant is echter van mening dat het Uwv in de gegeven omstandigheden had moeten afzien van het opleggen van een maatregel. Hij heeft er daarbij op gewezen dat appellant en zijn ex-werkgever in de vaststellingsovereenkomst een ‘plus’ zijn overeengekomen waarvan de omvang overeenkomt met de CRvB-formule en een correctiefactor van 0,75 is toegepast. Deze correctiefactor betekent dat de werkgever erkent dat hij een overwegend aandeel (van 65 tot 80%) heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoring van de arbeidsrelatie. Volgens appellant is het Uwv hieraan gebonden.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van bestreden besluit II in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Tussen partijen is, zoals ter zitting van de Raad is gebleken, niet meer in geschil dat de vraag of appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, in deze procedure niet meer aan de orde kan komen. Het gaat in deze procedure uitsluitend nog om de vraag of het Uwv terecht, met toepassing van artikel 27, eerste en elfde lid, van de WW, een maatregel heeft opgelegd inhoudende dat de WW-uitkering gedurende een periode van 26 weken voor de helft wordt uitbetaald. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

Artikel 27, eerste lid, van de WW schrijft dwingend voor dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt, indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. In artikel 27, elfde lid, van de WW is uiteengezet hoe het bedrag, bedoeld in het eerste lid, moet worden berekend.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen heeft de wetgever met de verplichte maatregel in artikel 27, eerste lid, van de WW beoogd een volledige afweging te maken met betrekking tot de evenredigheid van die maatregel. De wetgever heeft bedoeld en voorzien dat indien een werknemer de werkloosheid niet in overwegende mate valt te verwijten een maatregel wordt opgelegd waarbij op de WW-uitkering 50% in mindering wordt gebracht gedurende ten hoogste 26 weken. Er is dan voor het Uwv geen ruimte om een andere maatregel op te leggen of om geheel af te zien van het opleggen van een maatregel.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de zinsnede ‘over ten hoogste 26 weken’ in artikel 27, eerste lid, van de WW een maximale periode betreft die verkort mag worden indien daarvoor gegronde redenen zijn. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de Memorie van Toelichting bij de Wet wijziging WW-stelsel en ontslagrecht, waaruit blijkt dat de zinsnede ‘over ten hoogste 26 weken’ verband houdt met het feit dat vanaf 1 oktober 2006 ook recht kan bestaan op een WW-uitkering met een duur van minder dan zes maanden. De verlaging met de helft vindt plaats over de volledige uitkeringsduur, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

Het Uwv is niet gebonden aan de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en exwerkgever voor zover daarbij een correctiefactor van 0,75 is afgesproken en daarmee het aandeel van de ex-werkgever in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsrelatie op 65 tot 80% is vastgesteld. Het Uwv heeft een eigen onderzoeksplicht en verantwoordelijkheid ter zake van de vaststelling van de mate waarin de werkloosheid appellant kan worden verweten en welke maatregel in dat kader, met toepassing van artikel 27, eerste en elfde lid, van de WW, moet worden opgelegd.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit II in stand blijven.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en A.I. van der Kris en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.G.J. van Eck

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 24 van de WW

1. De werknemer voorkomt dat hij:a. verwijtbaar werkloos wordt;(…)

2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;

b.de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Artikel 27 van de WW

1. Het UWV brengt een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.

(…)11. Het bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt als volgt berekend:

A x B x (C / D). Hierbij staat:

A voor 0,75 in de eerste twee maanden waarop recht op uitkering bestaat en daarna voor 0,7;

B voor het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben indien hij de arbeid, bedoeld in het eerste of tweede lid, zou hebben aanvaard, verkregen of behouden;

C voor het dagloon; en

D voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door 5.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand