ECLI:NL:CRVB:2026:1083

ECLI:NL:CRVB:2026:1083

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/1693 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv op goede gronden heeft geweigerd om appellante met ingang van 25 april 2024 of in ieder geval 1 mei 2024 een WW-uitkering toe te kennen omdat ze niet voldoet aan de wekeneis. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag welke dag de eerste werkloosheidsdag is. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat dit 25 april 2024 is. Daarvan uitgaande voldoet appellante niet aan de wekeneis. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat appellante geen recht heeft op een WW-uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Algemene voorlichting op een website is niet aan te merken als een toezegging.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1693 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 juli 2025, 24/3473 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ex-werkgever)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv op goede gronden heeft geweigerd om appellante met ingang van 25 april 2024 of in ieder geval 1 mei 2024 een WWuitkering toe te kennen omdat ze niet voldoet aan de wekeneis. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag welke dag de eerste werkloosheidsdag is. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat dit 25 april 2024 is. Daarvan uitgaande voldoet appellante niet aan de wekeneis. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat appellante geen recht heeft op een WWuitkering.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De ex-werkgever heeft te kennen gegeven als partij te willen deelnemen aan dit geding.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia. De ex-werkgever heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

Appellante is op 1 januari 2011 in dienst getreden bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het dienstverband is per 1 juli 2023 geëindigd. In de periode van 6 februari 2023 tot 25 april 2024 verbleef appellante in het buitenland ( Verenigde Staten ). Op 1 mei 2024 heeft appellante bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), met als ingangsdatum 1 mei 2024.

Bij besluit van 6 mei 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 3 juli 2023 een WWuitkering toe te kennen, omdat zij toen niet in Nederland verbleef. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en benadrukt dat zij een WWuitkering heeft aangevraagd per 1 mei 2024. Volgens appellante is zij per die datum werkloos geworden en heeft zij recht op een WWuitkering.

Bij besluit van 23 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv heeft appellante gewoond en gewerkt in de Verenigde Staten en daarom per 3 juli 2023 geen recht op een WWuitkering. Als 1 mei 2024 de eerste werkloosheidsdag is, heeft appellante geen recht op een WWuitkering omdat zij niet voldoet aan de wekeneis. Appellante heeft niet in de 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 kalenderweken tenminste één uur als werknemer gewerkt.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en een bepaling over de vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank had appellante per 3 juli 2023 geen recht op een WWuitkering omdat zij toen verbleef in het buitenland. Daarom had zij op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht op een WWuitkering.

Evenmin had appellante op 25 april 2024 dan wel 1 mei 2024 recht op een WWuitkering. Op 24 april 2024 is appellante vanuit de Verenigde Staten teruggekeerd naar Nederland. Vanaf dat moment zou er een recht op WWuitkering kunnen zijn ontstaan, ware het niet dat het Uwv in dit geval, op grond van artikel 16a, tweede lid, in combinatie met artikel 17, eerste lid, van de WW, gehouden was om vanaf de datum van terugkeer in Nederland de wekeneis te berekenen. De rechtbank heeft overwogen dat appellante in de 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan 25 april 2024 dan wel 1 mei 2024, niet aan die wekeneis heeft voldaan. Zij verbleef toen immers in het buitenland en zij was in die periode niet in dienst van enige werkgever. Appellante betwist dit ook niet.

Het standpunt van appellante dat zij wel voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor een WWuitkering omdat de wekeneis geldt voor de datum waarop zij werkloos werd, te weten 1 juli 2023, en niet voor de ingangsdatum van de WWuitkering, acht de rechtbank onjuist. Naar het oordeel van de rechtbank vindt dit standpunt geen steun in de wet.

Het Uwv is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat appellante niet voldoet aan de wekeneis van artikel 17, eerste lid, van de WW en daarom terecht heeft geweigerd aan appellante een WWuitkering toe te kennen.

In de omstandigheid dat het Uwv in het verweerschrift de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd, door te erkennen dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat appellante per 3 juli 2023 geen recht heeft op een WWuitkering omdat zij toen woonde en werkte in de Verenigde Staten , heeft de rechtbank aanleiding gezien het Uwv te veroordelen tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante kan het nooit de bedoeling zijn geweest van de wetgever om in een geval als dat van haar niet in aanmerking te komen voor een WWuitkering. De wetgever heeft ervoor gekozen om bij verblijf in het buitenland de eerste werkloosheidsdag door te schuiven naar een moment waarop aan de voorwaarden wordt voldaan (artikel 16a, tweede lid, van de WW). Maar doordat ook de wekeneis van artikel 17, eerste lid, van de WW wordt doorgeschoven kan zij niet aan die eis voldoen en komt zij alsnog niet in aanmerking voor een WWuitkering. Appellante vindt dat onlogisch en meent dat dit niet de bedoeling kan zijn geweest van de wetgever. Zij acht het bestreden besluit ook in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft appellante gewezen op informatie op de website van de Rijksoverheid en het Uwv. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel heeft appellante erop gewezen dat zij tientallen jaren WWrechten heeft opgebouwd en wettelijk was verzekerd tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid. Maar men kan daar slechts tot tien weken na het ontslag aanspraak op maken als je op de eerste dag van werkloosheid niet in Nederland verbleef. Appellante acht dat onevenredig.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Wekeneis

Artikel 16a, tweede lid, van de WW bepaalt kort gezegd dat indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies niet wordt voldaan aan de eis van beschikbaarheid (artikel 16, eerste lid, van de WW) of een uitsluitingsgrond van toepassing is (artikel 19 van de WW), in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing van deze wet en de daarop rustende bepalingen, als eerste werkloosheidsdag wordt aangemerkt, de dag van de kalenderweek waarop aan het beschikbaarheidsvereiste wordt voldaan en een uitsluitingsgrond niet meer aan het recht op uitkering in de weg staat. Uit deze bepaling volgt dat in het geval van appellante 25 april 2024 de eerste werkloosheidsdag is omdat vanaf die datum de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW niet meer van toepassing was. Gelet op artikel 17, eerste lid, van de WW moet dan worden beoordeeld of appellante in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan 25 april 2024 in tenminste 26 kalenderweken ten minste één uur arbeidsuur per kalenderweek heeft gewerkt. Dat is bij appellante niet het geval. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het standpunt van appellante, dat zij wel voldoet aan de wekeneis, omdat deze moet worden berekend over de periode van 36 kalenderweken voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsurenverlies, op 3 juli 2023, geen steun vindt in de wet.

Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat de wetgever met het doorschuiven van de eerste werkloosheidsdag naar het moment waarop geen uitsluitingsgrond meer van toepassing is wel degelijk heeft beoogd om ook de referteperiode voor de wekeneis door te schuiven. Uit de tweede nota van wijzigingen bij de inwerkingtreding van artikel 16, achtste lid, van de WW (thans artikel 16a, tweede lid, van de WW) blijkt ondubbelzinnig dat de wetgever heeft beoogd dat een recht op WWuitkering niet nog na lange tijd, bij het vervallen van de uitsluitingsgrond, zal kunnen ontstaan. Niet gebleken is dat met de omzetting van artikel 16, achtste lid, van de WW naar artikel 16a, tweede lid, van de WW de wetgever op dit punt een inhoudelijke wijziging heeft beoogd.

Ook uit rechtspraak van de Raad blijkt dat in een situatie dat op het moment van het intreden van het arbeidsurenverlies een uitsluitingsgrond van toepassing is, de eerste werkloosheidsdag opschuift naar de eerste dag waarop die uitsluitingsgrond niet meer van toepassing is en dat vervolgens met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WW moet worden beoordeeld of de werknemer in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gewerkt.

Dit betekent dat het Uwv terecht, met toepassing van de artikelen 16a, tweede lid, en 17, eerste lid, van de WW, heeft beslist dat appellante met ingang van 25 april 2024 respectievelijk 1 mei 2024 geen recht heeft op WWuitkering omdat zij niet voldoet aan de wekeneis.

Vertrouwensbeginsel

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van de Raad van 4 maart 2020. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de gehele schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.

Appellante heeft gewezen op informatie op de website van de Rijksoverheid en het Uwv waarop staat vermeld: ‘U heeft recht op een WWuitkering als u minimaal 26 weken heeft gewerkt in de 36 weken voordat u werkloos werd’ (Rijksoverheid) en ‘In de laatste 36 weken voordat u werkloos werd, moet u in minstens 26 weken hebben gewerkt’ (Uwv). Appellante heeft verklaard dat zij op basis van deze informatie in de veronderstelling verkeerde dat zij voldeed aan de wekeneis. Volgens appellante is de communicatie van de Rijksoverheid en het Uwv over de wekeneis onvolledig en had ook informatie moeten worden verstrekt over de situatie waarin door de toepasselijkheid van een uitsluitingsgrond de eerste werkloosheidsdag opschuift en daarmee ook de referteperiode voor de wekeneis.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Om een toezegging aan te nemen, dient de uitlating of gedraging waarop betrokkene zich beroept, toegesneden te zijn op de concrete situatie. Algemene voorlichting op een website, zoals in dit geval, is niet aan te merken als een toezegging. Appellante kan daaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen.

Evenredigheidsbeginsel

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat de artikelen 16, 16a, 17 en 19, van de WW dwingendrechtelijke bepalingen betreffen in een wet in formele zin. Uit vaste rechtspraak volgt dat slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet-verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen (zie de arresten van de Hoge Raad van 19 december 2014 en 5 oktober 2018).

Dergelijke, niet door de wetgever verdisconteerde, bijzondere omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. Uit de hiervoor onder 5.2 vermelde wetsgeschiedenis blijkt juist dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om voor werknemers, die op het moment van het intreden van het arbeidsurenverlies, niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden (artikel 16, eerste lid, van de WW) of op wie een uitsluitingsgrond van toepassing is (artikel 19 van de WW), de eerste werkloosheidsdag te bepalen op de eerste dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet en dat dit met zich mee kan brengen dat dan geen recht op WWuitkering ontstaat omdat niet wordt voldaan aan de wekeneis.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering om appellante een WWuitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en A.I. van der Kris en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.G.J. van Eck

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 16a, eerste lid, van de WW:

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer arbeidsuren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoel in artikel 16, eerste of vierde lid.

Artikel 16a, tweede lid, van de WW:

Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet wordt voldaan aan de andere voorwaarde, of de werknemer geen recht heeft op grond van artikel 19 wordt, in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag aangemerkt, de dag van de kalenderweek waarop aan de andere voorwaarde, bedoeld in het eerste lid wordt voldaan en artikel 19 niet meer aan het recht op uitkering in de weg staat.

Artikel 17, eerste lid, van de WW:

Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gewerkt.

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW:

Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:

e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand