ECLI:NL:CRVB:2026:1084

ECLI:NL:CRVB:2026:1084

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/928 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 40,79%. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek en voldoende arbeidskundige onderbouwing. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/928 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025, 23/641 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 30 augustus 2021 heeft vastgesteld op 40,79%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Vervloet hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. F. Özer heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het Uwv heeft een nadere reactie ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Özer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als serviceonderhoudsmonteur voor gemiddeld 38 uur per week. Op 4 oktober 2019 heeft hij zich ziekgemeld met rugklachten, uitstralend naar de nek en de benen. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek en aanvullend onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkheden lijst (FML) van 14 februari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 40,79%. Het Uwv heeft bij besluit van 21 februari 2022 aan appellant met ingang van 1 oktober 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

Met een beslissing op bezwaar van 19 januari 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv heeft overeenkomstig het standpunt van appellant de eerste ziektedag bepaald op 2 september 2019.

In beroep heeft het Uwv bij een gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 augustus 2023 (bestreden besluit 2) aan appellant met ingang van 30 augustus 2021 een WGAvervolguitkering toegekend. Aan bestreden besluit 2 heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat door wijziging van de eerste ziektedag de ingangsdatum van de WIA-uitkering is vervroegd van 4 oktober 2021 naar 30 augustus 2021 en appellant hierdoor niet meer in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering. De teveel betaalde uitkering wordt niet van appellant teruggevorderd.

Appellant heeft gronden aangevoerd tegen bestreden besluit 2. Het Uwv heeft nadere rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft, voor zover van belang, het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft beslissingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de appellant gestelde immateriële schade. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 augustus 2021 terecht heeft vastgesteld op 40,79%. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.

Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Bestreden besluit 2 komt niet volledig tegemoet aan het beroep van appellant. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van appellant op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook is gericht tegen bestreden besluit 2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.

In wat appellant in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de medische beoordeling voor onjuist te houden. De rechtbank acht de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de daarin verwoorde conclusies inzichtelijk gemotiveerd. Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn dagverhaal, dat zijn psychische klachten zijn onderschat, dat zijn energetische beperkingen zijn overschat en dat een urenbeperking moet worden aangenomen. De rechtbank volgt appellant hierin niet. In het rapport van 10 januari 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen, omdat geen sprake is van een onderliggende ernstige somatische- of psychiatrische aandoening die een sterk afgenomen energieniveau aannemelijk maakt en niet van een behandeling en ook om preventieve redenen een urenbeperking niet is aangewezen. Met de aangenomen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en de statische en dynamische belastbaarheid van appellant is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voldoende mate rekening gehouden met de ervaren vermoeidheidsklachten. Met betrekking tot de overige klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 20 november 2023 voldoende gemotiveerd dat rekening is gehouden met de aanwezige rugpathologie, zoals die naar voren komt uit de informatie van de behandelend sector. Daarnaast is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden met de psychische klachten, zoals deze naar voren komen uit informatie van de behandelend psychiater van 13 mei 2021. Appellant is aangewezen op psychisch relatief licht belastende werkzaamheden en fysiek relatief licht werk waarbij met name de belasting van de wervelkolom aanzienlijk beperkt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat in de FML van 14 februari 2022 ook rekening is gehouden met de mogelijke effecten van het medicatiegebruik van appellant op het reactievermogen.

De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 8 januari 2024 voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding en in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De schatting berust hiermee naar het oordeel van de rechtbank op een toereikende arbeidskundige grondslag.

Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv heeft toegelicht dat een herberekening van het dagloon voor de WIA geen enkel doel heeft, omdat appellant recht heeft op een vervolguitkering die is gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Omdat de eerste ziektedag is vervroegd, loopt de referteperiode van 24 december 2018 tot en met 1 september 2019. Uitgaande van het overzicht van de werkgever voldoet appellant niet aan de wekeneis. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, referteperiode of WIA-dagloon onjuist zijn vastgesteld.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is. Appellant stelt dat hij per 30 augustus 2021 meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Hij heeft herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat er volgens hem sprake is van vooringenomenheid van de (verzekerings)artsen. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep – ondanks gewijzigde medische informatie – zonder motivering de conclusie van de primaire arts ongewijzigd overgenomen. Daarnaast heeft appellant herhaald dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat er ten onrechte geen urenbeperking van twintig uur per week is aangenomen. Verder heeft de rechtbank volgens appellant het door hem in beroep overgelegde medisch advies van 8 maart 2024 ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. Tot slot heeft appellant zijn standpunt over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de referteperiode en het WIA-dagloon herhaald en betwist dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor hem.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 juni 2026.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de besluitvorming over de mate van arbeidsongeschiktheid op 30 augustus 2021 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Goede procesorde

Appellant heeft eerst ter zitting van de Raad aangevoerd dat er ten onrechte geen fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft plaatsgevonden en dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste selectiedatum. De Raad acht het in een zo laat stadium aanvoeren van deze gronden in strijd met de goede procesorde. Daarbij is zwaarwegend dat de Raad niet zonder de zaak aan te houden het Uwv om een nadere reactie kan vragen. Appellant had deze gronden al in een veel eerder stadium van de procedure naar voren kunnen brengen. Ook de opvolgend gemachtigde van appellant, die zich al op 9 oktober 2025 heeft gesteld, had hiervoor ruimschoots de gelegenheid. De Raad bespreekt deze beroepsgronden dan ook niet.

Zorgvuldigheid van het onderzoek

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is verricht. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevinden zich geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Uit de onderzoeksbevindingen volgt namelijk dat er dossierstudie is verricht, dat er telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen een arts van het Uwv en appellant op 14 juli 2021 en dat appellant naar aanleiding van dit telefonisch contact op 9 februari 2022 het spreekuur van de arts heeft bezocht. De arts heeft het dagverhaal van appellant uitgevraagd, een anamnese afgenomen en een lichamelijk en psychisch onderzoek bij appellant verricht. Ook heeft de arts bij zijn beoordeling informatie van de behandelend sector betrokken. Naar aanleiding van de bevindingen van de arts, gecollationeerd door geregistreerd verzekeringsarts, zijn de beperkingen vastgesteld en neergelegd in een FML van 14 februari 2022. Naar aanleiding van het bezwaar heeft er op 10 januari 2023 een hoorzitting plaatsgevonden met appellant, waaraan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deelgenomen. Van deze hoorzitting is een uitgebreid verslag gemaakt en neergelegd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 januari 2023. In hoger beroep heeft een verzekeringsarts bewaar en beroep met een rapport van 2 juni 2026 gereageerd op het door appellant ingebrachte medisch advies van 8 maart 2024. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van de gezondheidssituatie van appellant. Van vooringenomenheid bij de artsen is niet gebleken.

Medische beoordeling

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat zijn psychische belastbaarheid is onderschat en dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen in relatie tot zijn dagverhaal. In het rapport van 24 januari 2022 heeft de arts van het Uwv geconcludeerd dat er sprake is van een aannemelijk verband tussen de klachten van appellant en de bevindingen bij het onderzoek en de gestelde diagnoses in de behandelend sector. De arts heeft daarbij informatie van de anesthesioloog-pijnspecialist van 18 juni 2021 betrokken en informatie van de behandelend psychiater van 13 mei 2021 en 1 juli 2014. In het rapport van 11 februari 2022 heeft de arts op basis van lichamelijk onderzoek tijdens spreekuurcontact vastgesteld dat appellant een beperkte rugfunctie heeft, zonder duidelijke tekenen van radiculaire prikkeling. Wat betreft de handfunctie heeft de arts geen beperkingen waargenomen. De arts heeft op basis van de bevindingen van het lichamelijk onderzoek aanleiding gezien om de FML voor wat betreft de rugbelasting bij de beoordelingsitems dynamische en statistische belasting aan te passen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 10 januari 2023 voldoende toegelicht dat de conclusies van de arts van het Uwv over de fysieke en psychische belastbaarheid van appellant kunnen worden onderschreven. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de arts terecht geconcludeerd dat de grondslag van de beperkingen wordt gevormd door een radiculair beeld met secundair reactieve angst- en stemmingspathologie en onderliggende persoonlijkheidsproblematiek met obsessief/compulsieve trekken. Ook bestaan er diffuse klachten van het bewegingsapparaat die zijn geduid als fibromyalgie. Appellant is aangewezen op fysiek relatief lichte werkzaamheden, waarbij specifiek wordt uitgegaan van een fors beperkte belastbaarheid van de wervelkolom. Daarnaast is appellant aangewezen op relatief eenvoudige, voorspelbare en psychisch licht belastende werkzaamheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat er in bezwaar geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit zou volgen dat de arts de aard of ernst van de aanwezige pathologie en daaruit voortkomende beperkingen heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de eerste ziektedag op 2 september 2019 vast te stellen.

In zijn rapport van 10 januari 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook voldoende gemotiveerd dat voor een urenbeperking geen reden bestaat. Er is geen sprake van een ziektebeeld met een verhoogde recuperatiebehoefte en ook de overige in de standaard Duurbelasting in Arbeid opgenomen aspecten ‘verminderde beschikbaarheid’ en ‘preventieve gronden’ doen zich niet voor.

Het door appellant in beroep ingebrachte medisch advies van een medisch adviseur van 8 maart 2024 geeft geen aanleiding om aan de vastgestelde belastbaarheid van appellant te twijfelen. In een rapport van 2 juni 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat de medisch adviseur geen ander beeld schetst van de aanwezige pathologie die op de datum in geding de grondslag voor de arbeidsbeperkingen vormde, namelijk chronische rugklachten bij een radiculair syndroom, fybromyalgie en een angst/stemmingsstoornis. Hiermee is rekening gehouden in de FML van 1 februari 2022 door significante beperkingen aan te nemen. De medisch adviseur stelt slechts dat onvoldoende rekening is gehouden met subjectieve klachten, maar geeft niet specifiek aan op welke beoordelingsitems in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Bovendien is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het effect van de subjectieve klachten op het functioneren weldegelijk rekening gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de medisch adviseur geen inhoudelijke gronden heeft aangegeven waaruit zou volgen dat de psychische belastbaarheid van appellant is onderschat. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat voor het aannemen van aanvullende beperkingen geen aanleiding bestaat, kan worden gevolgd. Appellant heeft in hoger beroep overigens geen andere medische informatie ingebracht om zijn standpunt nader te onderbouwen.

Omdat van de juistheid van de FML van 14 februari 2022 wordt uitgegaan, bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het daartoe ter zitting gedane verzoek van appellant wordt afgewezen.

De Raad volgt appellant wel in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte het in beroep overgelegde medisch advies van 8 maart 2024 niet in de beoordeling heeft betrokken. Hierin wordt aanleiding gezien om over te gaan tot een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de referteperiode en het WIA-dagloon. De daarop betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank worden onderschreven.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 40,79% op 30 augustus 2021 in stand blijft.

6. Ter zitting heeft appellant het verzoek om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door hem gestelde immateriële schade ingetrokken.

7. Gelet op wat onder 5.8 is overwogen, wordt aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-).

8. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb te bepalen dat de griffier van de Raad het door appellant betaalde griffierecht in hoger beroep van € 143,- terugbetaalt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.868,-;

- bepaalt dat de griffier het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- aan appellant terugbetaalt.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand