ECLI:NL:CRVB:2026:1085

ECLI:NL:CRVB:2026:1085

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/1744 WAJONG
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op de dag dat zij achttien jaar is geworden duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat op haar achttiende jaar niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellante zich konden ontwikkelen.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

25/1744 WAJONG

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juli 2025, 24/6457 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2020 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Appellante heeft daarbij verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juli 2026. Voor appellante zijn [gemachtigde] en haar moeder verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

Appellante heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 2002, heeft met een door het Uwv op 18 augustus 2021 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante bekend is met een autisme spectrum stoornis, sensorische informatieverwerking, een sociale stoornis en somberheidsklachten. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van GGz Breburg, MEE, de Viersprong en de huisarts. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 13 januari 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

Bij besluit van 16 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

De rechtbank heeft eerst beoordeeld of het Uwv alle relevante op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens appellante ontbreken in het dossier van het Uwv de e-mails die de arbeidsdeskundige heeft ontvangen van persoonlijk begeleiders van [naam zorgorganisatie] en [naam dagbesteding] en de reactie van ggz-instelling de Viersprong op de brief van het Uwv van 23 april 2024. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 12 januari 2022 blijkt dat de e-mails die hij heeft ontvangen, integraal zijn opgenomen in zijn rapport. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding te twijfelen aan de weergave ervan, zodat niet wordt ingezien wat de toegevoegde waarde is om alsnog de oorspronkelijke e-mails over te leggen. De reactie van de Viersprong op de brief van 23 april 2024 is telefonisch gegeven en een weergave van dat telefoongesprek is opgenomen in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 mei 2024. De rechtbank heeft appellante daarom niet gevolgd in haar stelling dat het Uwv niet alle relevante stukken heeft overgelegd.

Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of de informatie van GGz Breburg van 15 mei 2024 buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat Breburg volgens appellante bij het verstrekken van die informatie ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Niet in geschil is dat appellante het Uwv heeft gemachtigd medische informatie in te winnen bij GGz Breburg. Verder maakt een eventueel gebrek van GGz Breburg niet dat deze informatie niet betrokken kan worden bij de beoordeling. Daarnaast bevat de brief van 15 mei 2024 geen wezenlijk andere informatie dan de informatie van GGz Breburg die al eerder bekend was bij het Uwv. Het belang van appellante bij buiten beschouwing laten van de brief van 15 mei 2024 wordt daarom niet gezien. De rechtbank heeft deze brief dan ook bij haar beoordeling betrokken.

Bij de inhoudelijke beoordeling heeft de rechtbank vooropgesteld dat niet in geschil is dat appellante geen basale werknemersvaardigheden heeft en dat zij daarom geen arbeidsvermogen heeft. In geschil is uitsluitend of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat appellante, onder andere, onder behandeling is geweest bij GGz Breburg. Vanuit GGz Breburg is informatie ontvangen waaruit blijkt dat de behandeling MBT is voorgesteld aan appellante. Op expliciete navraag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mevrouw [naam] van GGz Breburg op 28 mei 2024 telefonisch meegedeeld dat autisme geen contra-indicatie is voor het volgen van deze behandeling. Toegelicht is dat bij GGz Breburg de therapie juist op cliënten en hun problematiek wordt aangepast, ook als zij een autisme spectrum stoornis hebben. De stelling van appellante dat in haar geval wel sprake is van een contra-indicatie heeft zij niet onderbouwd met stukken. Dat bij een diagnose van DIS/AGDS wel sprake is van een contra-indicatie voor een MBT-behandeling maakt dit niet anders omdat van die diagnose bij appellante geen sprake is. Dat de Viersprong de behandeling bij appellante niet wilde inzetten, betekent ook niet dat er een contra-indicatie is. Integendeel, uit de telefonische verklaring van de Viersprong blijkt dat de Viersprong appellante juist naar de GGz Breburg heeft doorverwezen, omdat daar de dubbele problematiek van appellante wel behandeld kan worden. Dit is in het telefoongesprek dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met mevrouw [naam] op 28 mei 2024 heeft gehad, bevestigd. Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de door mevrouw [naam] verstrekte informatie geen juiste weergave zou zijn van de destijds voorgestelde behandeling. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat mevrouw [naam] destijds betrokken is geweest bij de behandeling van appellante en dat appellante zelf bij haar aanvraag heeft vermeld dat mevrouw [naam] haar behandelaar was. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat voldoende is komen vast te staan dat de behandelaars van appellante de MBT-behandeling als een voor appellante geschikte behandeling hebben gezien en aan haar hebben voorgesteld. Het Uwv heeft daarom geen verder onderzoek hoeven doen naar eventuele contra-indicaties. Volgens de rechtbank heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat behandeling voor appellante nog mogelijk is, zodat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.

De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellante niet in staat zou zijn de MBT-behandeling te volgen. Uit de brief van GGz Breburg van 10 februari 2022 blijkt dat appellante eerst had ingestemd met de behandeling. Later is zij daarop teruggekomen. Als reden hiervoor heeft appellante gegeven dat zij er geen vertrouwen in heeft dat het haar gaat lukken om meerdere keren naar de GGz te komen en dat ze er weinig vertrouwen in heeft dat de behandeling haar zal gaan helpen. Hieruit blijkt niet dat appellante vanwege haar beperkingen niet in staat is de voorgestelde behandeling te volgen. Het niet willen volgen van de behandeling lijkt eerder ingegeven door het ontbreken van vertrouwen dat appellante in de resultaten van de behandeling heeft. Ook zijn er geen andere (medische) stukken waaruit blijkt dat bij appellante sprake is van onvermogen om de voorgestelde behandeling te volgen. De verklaring van de begeleider van appellante is daarvoor volgens de rechtbank onvoldoende, omdat deze begeleider geen medicus is en zijn ervaringen geen betrekking hebben op de periode in geding.

Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 mei 2024 blijkt dat de doelen van de MBT-behandeling zijn betrokken bij de beoordeling of de beperkingen van appellante naar verwachting zullen verminderen. Deze doelen zijn afgezet tegen de beperkingen die appellante in haar functioneren heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank daarmee inzichtelijk gemotiveerd dat vanwege de behandeling verwacht mag worden dat appellante het gedrag van zichzelf en anderen leert begrijpen. Ook de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat hierdoor de beperkingen op het gebied van het in groepsverband ondernemen van een taak, gevolgen van haar handelen overzien, respect/betrokkenheid en sympathie in relaties tonen en beantwoorden, omgaan met kritiek, hanteren van conflicten en zich sociaal passend gedragen, naar verwachting zullen verminderen, kan de rechtbank volgen. Zoals uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt is de MBT-behandeling juist gericht op het verminderen van de beperkingen die belemmerend zijn voor het hebben van basale werknemersvaardigheden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat appellante, gelet op de te verwachten afname in beperkingen, in combinatie bezien met het feit dat zij geen cognitieve beperkingen heeft, op termijn kan beschikken over basale werknemersvaardigheden. De rechtbank acht hiermee afdoende gemotiveerd dat appellante basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen.

Omdat de rechtbank geen twijfel heeft aan het oordeel van het Uwv, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige om advies te vragen en evenmin om schadevergoeding (in de vorm van wettelijke rente) toe te kennen.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In hoger beroep heeft zij herhaald dat GGz Breburg in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor de brief van 15 mei 2024 heeft verzonden aan het Uwv, dat ten onrechte niet is onderkend dat autisme expliciet een contra-indicatie is voor de voorgestelde MBT-behandeling, en dat bij twijfel hierover het op de weg van de rechtbank had gelegen een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Verder is niet met objectieve medische gegevens onderbouwd welke beperkingen bij appellante na een MBT-traject zouden verminderen. Ook heeft appellante opnieuw aangevoerd dat ten onrechte niet is onderkend dat appellante als gevolg van onderliggende psychiatrische problematiek niet in staat is de MBT-behandeling te volgen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Niet in geschil is dat appellante op achttienjarige leeftijd geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat zij voldoet aan de voorwaarde dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet WIA, kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn.

Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

Met inachtneming van het vorenstaande kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat op haar achttiende jaar niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellante zich konden ontwikkelen.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zin in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.

Anders dan appellante heeft gesteld, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 mei 2024 gemotiveerd uiteengezet welke beperkingen verminderd kunnen worden door de voor appellante voorgestelde behandeling. Met deze informatie heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vervolgens inzichtelijk uiteengezet dat met een afname in deze beperkingen de basale werknemersvaardigheden zich kunnen ontwikkelen. Daarmee is afdoende gemotiveerd dat een ontwikkeling van de basale werknemersvaardigheden van appellante niet is uitgesloten.

Twijfel die zou noodzaken om tot het benoemen van een deskundige over te gaan, ontbreekt, zodat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen. Ook in hoger beroep bestaat daarvoor geen aanleiding.

Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde een medisch deskundige te benoemen. Appellante heeft informatie van haar behandelaars in de procedure kunnen inbrengen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft die informatie inzichtelijk in de beoordeling betrokken zodat deze door de rechter kan worden getoetst. Het door appellante gestelde financiële onvermogen kan daarom buiten beschouwing blijven.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Bij deze uitkomst bestaat geen grond voor een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

6. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 25 februari 2022 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en (afgerond) zes maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook (afgerond) met zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.

Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim twee jaar geduurd, terwijl de rechterlijke fase in haar geheel minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. De termijnoverschrijding wordt daarom in zijn geheel aan het Uwv toegerekend.

Proceskosten

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante hiervoor geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht. Wel bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) N. Gios

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong

Jonggehandicapte is de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong

Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’

“Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand