ECLI:NL:CRVB:2026:1086

ECLI:NL:CRVB:2026:1086

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/1690 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Geen toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar naar beëindiging van de uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 mei 2023 heeft de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1690 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, 23/6668 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv, na een melding van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering, terecht appellant per 1 januari 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juli 2026. Voor appellant is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de GraaffEggink.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor gemiddeld 40 uur per week. Hij heeft zich op 26 maart 2007 ziekgemeld met rugklachten. Appellant heeft een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na een herbeoordeling door het Uwv is de WIA-uitkering van appellant bij besluit van 28 februari 2020 beëindigd per 5 september 2020, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv bij beslissing op bezwaar van 6 mei 2021 gegrond verklaard. De einddatum van de WIAuitkering is daarbij nader bepaald op 9 augustus 2021. Met een uitspraak van 25 april 2022 (zaaknummer 21/2924) heeft de rechtbank Gelderland het tegen deze beslissing op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Nadat appellant op 25 april 2022 aan het Uwv heeft doorgegeven dat zijn gezondheid met ingang van 9 augustus 2021 is verslechterd, heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat arbitrair per 1 januari 2023 sprake is van toegenomen beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als destijds bij de beëindiging van de WIA-uitkering. De beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 mei 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 22 juni 2023 geweigerd appellant met ingang van 1 januari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Met een beslissing op bezwaar van 25 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 1 januari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellant op 1 januari 2023 overtuigend heeft gemotiveerd. Anders dan appellant meent, is voor de beoordeling van de medische belastbaarheid voor het verrichten van arbeid niet de diagnose (en welke klachten daarbij in het algemeen voorkomen) van belang of hoe appellant zich voelt en hoe hij zijn klachten ervaart, maar de vraag of sprake is van beperkingen met een medisch objectiveerbare oorzaak. De rechtbank heeft verwezen naar een uitspraak van de Raad van 5 maart 2025.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusie van de verzekeringsarts over de belastbaarheid van appellant op 1 januari 2023 onderschreven. De verzekeringsarts heeft aan de hand van de beschikbare medische informatie, verkregen uit onder meer eigen onderzoek en dossierstudie, vastgesteld dat bij appellant sprake is van diabetes met polyneuropathie, chronische rugklachten met discopathieën en lumbaal kanaalstenose L4-L5 links, depressieve episode, hypothyreoïdie, hypercholesterolaemie en maculaire amyloidose. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet aangenomen dat appellant ook hartklachten heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat de informatie van de cardioloog dateert van 20 september 2023, dus van ruim na de datum in geding van 1 januari 2023. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat dit een onjuiste inschatting is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich aangesloten bij de door de verzekeringsarts in de FML van 2 mei 2023 vastgestelde en neergelegde beperkingen.

In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht om zijn standpunt te onderbouwen dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Dat betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de beperkingen in de FML van 2 mei 2023.

De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies, ondanks de signaleringen, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De geselecteerde functie van Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) is volgens appellant niet geschikt omdat in de FML een beperking op zitten is aangenomen. De rechtbank heeft deze grond verworpen. In de FML is voor appellant een beperking aangenomen op het beoordelingsitem 5.1 (zitten) en niet ook op beoordelingsitem 5.2 (zitten tijdens werk). De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat appellant op een normale werkdag (van acht uur) in totaal acht uur kan en mag zitten, maar dat appellant na ongeveer een uur het zitten moet afwisselen met lopen of staan. Dat appellant na een uur ten minste vijftien minuten zou moeten vertreden, zoals appellant ter zitting heeft aangevoerd, volgt niet uit de FML.

Uit de signalering bij het beoordelingsitem 5.1 (zitten) bij voormelde functie volgt dat appellant één of twee keer per week iets langer dan een uur achtereen moet zitten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de signalering bij deze functie naar het oordeel van de rechtbank van een adequate toelichting voorzien. Onder verwijzing naar het interpretatiekader bij item 5.1 in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de rechtbank met name waarde gehecht aan de lage frequentie waarmee de duur van het zitten wordt overschreden. Appellant heeft zijn stelling over de ongeschiktheid van deze functie, ondanks de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, niet met medische stukken onderbouwd. De rechtbank heeft opgemerkt dat in de overige geselecteerde (reserve-)functies geen signalering op de beoordelingsitems 5.1 en 5.2 zijn opgenomen.

Verder heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functie van Archiefmedewerker (SBC-code 315132) niet geschikt is omdat in de FML een beperking op het beoordelingsitem 4.8 (frequent reiken tijdens het werk) is aangenomen. In deze functie moet appellant 810 keer per uur reiken. Daarmee is deze functie volgens appellant niet geschikt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er in de FML geen beperking is aangenomen op het beoordelingsitem 4.7 (reiken). De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat, op grond van de FML, de maximale reikafstand voor appellant 70 centimeter bedraagt. Appellant is licht beperkt geacht op het beoordelingsitem 4.8, althans voor links, wat betekent dat appellant zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer met links kan reiken. Voor rechts is geen beperking aangenomen, zodat, uitgaande van de normaalwaarde in het CBBS, appellant zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 1.200 keer met rechts kan reiken.

Uit de beschrijving bij het beoordelingsitem 4.8 in de functiebeschrijving bij voormelde functie volgt – kort gezegd – dat dagelijks tijdens meer dan vier werkuren maximaal 810 keer per uur gereikt moet worden. Uit de beschrijving volgt niet dat dat steeds tegelijkertijd met links én rechts moet gebeuren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, voldoende gemotiveerd dat voormelde functie, ondanks de signalering, geschikt is voor appellant. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat geen beperking is aangenomen voor de reikwijdte en het aantal keren reiken met rechts en het feit dat volgens het CBBS reiken niet inhoudt dat de beide armen steeds tegelijkertijd (voorwaarts) gestrekt en gebogen hoeven te worden.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat de geduide functies niet passend zijn wegens het ontbreken van knijpkracht, het snijrisico/risico van gevaarlijke machines of gereedschappen en het voldoen aan deadlines en dat hij in de functie te veel wisselende taakjes moet doen. De rechtbank is van oordeel dat deze aspecten enerzijds ten onrechte door appellant zijn genoemd omdat daarvoor in de FML, waarover de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld dat er geen reden is om daaraan te twijfelen, geen beperking is opgenomen. Anderzijds is de signalering naar het oordeel van de rechtbank door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd.

Appellant heeft tot slot gewezen op de ‘Uwv-affaire’. In dat verband heeft appellant aangegeven een herberekening van het maatmaninkomen te wensen. De rechtbank gaat hieraan voorbij, omdat appellant niet heeft gesteld en ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat hij ernstige psychische en lichamelijke klachten ervaart en dat deze klachten hadden moeten resulteren in ruimere beperkingen. Zo is er onder meer sprake van concentratieproblemen, prikkelbaarheid en vergeetachtigheid, wat hij bij de behandelend artsen herhaaldelijk heeft gemeld. Ook ervaart appellant klachten van het onderlichaam en raakt zijn linkerbeen verstijfd na een half uur zitten. Dit wordt volgens appellant bevestigd door de informatie van de reumatoloog. Volgens appellant is verder onvoldoende rekening gehouden met de verdikkingen in zijn handpalmen, doordat er ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van precisiewerk en het werken met toetsenbord en muis. Appellant heeft verder herhaald dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor hem.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen getrokken conclusies. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen onderschrijft de Raad volledig. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat met de door de verzekeringsarts vastgestelde FML van 2 mei 2023 voldoende is tegemoetgekomen aan de medische problematiek van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat de verzekeringsarts medische informatie heeft opgevraagd en vervolgens alle beschikbare medische informatie in de beoordeling heeft betrokken. De gestelde toegenomen beperkingen, zoals krachtsverlies, pijn aan de zenuwen, concentratieproblemen en moeite met de ADL-verrichtingen konden niet worden geobjectiveerd. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven om de juistheid van dit medisch standpunt in twijfel te trekken.

Anders dan appellant ter zitting heeft bepleit, volgt uit het CBBS niet dat bij het aannemen van een beperking op het beoordelingsitem 4.3.6 (hand- en vingergebruik, knijp en grijpkracht) automatisch ook een beperking moet volgen op de items 4.13 (tillen tijdens het werk) en 4.14 (dragen tijdens het werk). In het geval van appellant bestaat hiervoor bovendien geen aanleiding, nu een medische onderbouwing ook hiervoor ontbreekt.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld, uitgaande van de juistheid van de FML van 2 mei 2023, dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

Anders dan appellant ter zitting heeft aangevoerd, heeft de rechtbank wel beslist op de beroepsgrond dat de geselecteerde functie van archiefmedewerker (SBC-code 315100) niet geschikt zou zijn omdat daarin sprake is van vaak roulerende taken en wisselende uitvoeringsomstandigheden. De Raad verwijst naar rechtsoverweging 7.4 van de aangevallen uitspraak. De beroepsgrond over de herberekening van het maatmaninkomen heeft appellant ter zitting ingetrokken, zodat deze grond geen bespreking behoeft.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand