ECLI:NL:CRVB:2026:1087

ECLI:NL:CRVB:2026:1087

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 25/1755 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 49,91%. Geen twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de medische beoordeling. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1755 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2025, 25/19 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 december 2023 en 29 februari 2024 heeft vastgesteld op 49,91%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juli 2026. Voor appellant is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als kraandrijver voor gemiddeld 39,77 uur per week. Op 29 december 2021 heeft hij zich ziekgemeld met arm-, nek- en rugklachten. Op dat moment ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 februari 2024. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 54,21%. Het Uwv heeft bij besluit van 25 april 2024 (besluit 1) aan appellant met ingang van 27 december 2023 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van eveneens 25 februari 2024 (besluit 2) heeft het Uwv appellant met ingang van 29 februari 2024 een WGAvervolguitkering toegekend op grond van de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Met een beslissing op bezwaar van 25 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de besluiten 1 en 2 herroepen, en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 december 2023 en 29 februari 2024 vastgesteld op 49,91%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om de toelichting op het beoordelingsitem 1.8 Persoonlijk functioneren (Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid) bij werken zonder verhoogd persoonlijk risico te specificeren. Deze gespecificeerde toelichting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld en neergelegd in een FML van 9 november 2024.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 27 december 2023 en 29 februari 2024 terecht heeft vastgesteld op 49,91%. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de verzekeringsartsen. Wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat het Uwv bekend is met de fysieke klachten van appellant. De verzekeringsarts heeft daarvoor beperkingen opgenomen in de rubrieken 1 tot en met 5 van de FML van 5 februari 2024. Daarmee is appellant aangewezen op fysiek niet te zwaar werk zonder verhoogd persoonlijk risico en beroepsmatig vervoer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat er aanleiding is gezien om de toelichting op de beperking bij het beoordelingsitem 1.8 Persoonlijk functioneren bij werken zonder verhoogd persoonlijk risico te wijzigen.

Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die kan leiden tot het oordeel dat er meer of forsere beperkingen voor zijn fysieke klachten en in verband met zijn medicatiegebruik hadden moeten worden aangenomen. Over het medicatiegebruik is uitgelegd dat daarvoor in de FML al een brede beperking is opgenomen die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader is geconcretiseerd. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aldus terecht geen aanleiding gezien voor ruimere beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Wat de fysieke problematiek betreft heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat appellant uitsluitend bekend is met nek-, schouder- en onderrugklachten die geen relatie hebben met het kunnen bedienen van een toetsenbord en muis. Ook wordt appellant in staat geacht om ongestoord schroefbewegingen te kunnen maken. Zeker bij de gelegenheid van vertreding wordt appellant ook in staat geacht om één uur achtereen te kunnen zitten.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, uitgaande van de juistheid van de FML van 9 november 2024, voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat er voor de geselecteerde functie met SBC-code 267071 opleidingsniveau 2 geldt en voor de geselecteerde reservefunctie met SBC-code 272042 ten hoogste enkele jaren VMBO, waarbij een diploma niet is vereist. De rechtbank heeft van belang geacht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat het basisonderwijs dat appellant in Turkije heeft gevolgd vergelijkbaar is met afgerond basisonderwijs in Nederland en enkele jaren voortgezet onderwijs. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat appellant ongeveer anderhalf jaar een MBO-niveau 1 opleiding heeft gevolgd. Hoewel appellant geen diploma heeft behaald, kan dit volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep worden gelijkgesteld met enkele jaren voortgezet onderwijs. Appellant heeft ter zitting gesteld dat hieraan moet worden getwijfeld, omdat de opleiding al na twee tot drie maanden is gestopt. De rechtbank heeft deze stelling verworpen, omdat appellant deze niet heeft onderbouwd.

Dat de geselecteerde functie met SBC-code 111180 niet geschikt is, omdat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en daardoor niet in staat is bepaalde instructies te lezen en te begrijpen, heeft de rechtbank niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat, gelet op de tijd die appellant in Nederland woont en werkt en de opleiding en cursussen die hij heeft gevolgd, verondersteld mag worden dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst voor de geselecteerde functies. De rechtbank is van oordeel dat appellant er met zijn stelling dat hij in zijn omgeving en op zijn werk weinig tot geen Nederlands spreekt aan voorbij gaat dat het vooral praktische werkzaamheden betreft die verricht worden op basis van werktekeningen en werkbronnen c.q. veranderkaarten. Dat daar enkele zinnen Nederlands bij staan, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet van appellant kan worden gevergd om hulpmiddelen te gebruiken of om hulp te vragen.

De rechtbank heeft appellant evenmin gevolgd in zijn stelling dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte heeft geconcludeerd dat in de geselecteerde functies sprake is van een acceptabel risico. Uit de gespecificeerde toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het beoordelingsitem 1.8 Persoonlijk functioneren bij werken zonder verhoogd persoonlijk risico volgt dat appellant beperkt is voor een verhoogd risico op een ernstige verwonding. De rechtbank is van oordeel dat de risico’s op een lichte verwonding die appellant noemt daar niet onder vallen, omdat deze niet groter zijn dan risico’s in het normale dagelijkse leven.

Ook is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, anders dan appellant heeft aangevoerd, voldoende heeft toegelicht dat de snelheid waarmee het hoofd bewogen moet worden niet door de arbeidsdeskundige analist wordt vastgelegd. Daarbij is uitgelegd waarom in de geduide functies geen noodzaak bestaat om het hoofd snel te bewegen.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in de functies met SBC-code 11180 en SBC-code 111160 het mogelijk is om naar eigen inzicht te vertreden, zodat er geen overschrijding bestaat op dit beoordelingspunt. De rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in deze conclusie gevolgd.

Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat bij het gebruik van hulpmiddelen in de functie met SBC-code 272042 niet per definitie is vereist dat telkens zou moeten worden afgewisseld in houding. Bovendien heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank juist gesteld dat hij moet kunnen vertreden en heeft hij niet onderbouwd waarom dit de functie zou veranderen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat er ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen in verband met de medicatie. Verder heeft appellant aangevoerd dat er in de FML ruimere beperkingen hadden moeten worden aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren, met name voor wat betreft handelingstempo en afleiding door anderen. Ook hadden volgens appellant beperkingen moeten worden aangenomen voor toetsenbord en muis hanteren en schroefbewegingen maken. De lichte beperkingen op zitten zijn volgens appellant niet te volgen, omdat de huisarts stelt dat appellant door hevige pijn in zijn rug niet overeind kan komen, niet kan bewegen of lopen. Tot slot heeft appellant zijn gronden herhaald wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 49,91% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen getrokken conclusies. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie van de huisarts van 12 februari 2024 in zijn beoordeling betrokken. Anders dan appellant betoogd, volgt uit de bijgevoegde journaalregels juist dat de huisarts op 30 oktober 2023 heeft genoteerd dat er geen beperkingen zijn bij bewegen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellant zijn claim dat zijn fysieke belastbaarheid is onderschat niet met medisch-inhoudelijke argumenten heeft onderbouwd. Hierbij is onder meer overwogen dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat hij geen toetsenbord en muis kan hanteren, omdat hij bij de verzekeringsarts geen melding heeft gemaakt van handklachten en uit de gegevens van de huisarts niet blijkt dat appellant handklachten heeft. Appellant is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitsluitend bekend met nek-, schouder- en onderrugklachten die geen relatie hebben met het kunnen bedienen van de toetsen op een toetsenbord en het kunnen bedienen van een muis. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens ingebracht die zijn standpunt onderbouwen.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. De overwegingen van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit worden geheel onderschreven. In wat appellant ter zitting over de opleidings- en taaleis heeft herhaald, wordt geen aanleiding gezien om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 november 2024. Hierin heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overwogen dat het basisonderwijs in Turkije gevolgd wordt tot en met het 14e jaar. Dat is in vergelijking met het Nederlands basisonderwijs twee jaar langer. Dit is dus vergelijkbaar met naar Nederlandse maatstaven afgerond basisonderwijs met enkele jaren voortgezet onderwijs. Daarnaast heeft appellant ongeveer anderhalf jaar een MBO-niveau 1 opleiding gevolgd. Dit kan ook nog gelijkgesteld worden met enkele jaren voortgezet onderwijs. Voor de functies worden geen ervaringen of vaardigheden gevraagd waarover appellant niet beschikt. Wat betreft de Nederlandse taalvaardigheid heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opgemerkt dat appellant dit in zijn WIAaanvraag als ‘matig’ heeft ingeschat. Appellant heeft zich op 24jarige leeftijd op 24 juli 1989 in Nederland gevestigd, heeft hier gewoond en gewerkt en heeft een MBO-niveau 1 opleiding en diverse cursussen gevolgd. Gelet hierop moet volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep worden aangenomen dat appellant voldoende Nederlands beheerst voor de geduide productiefuncties. Het zijn namelijk geen communicatieve functies met klantcontacten of intensief samenwerken/overleggen, waarvoor een goede beheersing van de Nederlandse taal nodig zou zijn. Desgewenst kan appellant een mondelinge toelichting vragen. Ook kan appellant een vertaalapp gebruiken.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 49,91% op 27 december 2023 en 29 februari 2024 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand