SAMENVATTING
22/2950 NIOAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 augustus 2022, 21/3244 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 20 januari 2026
In deze zaak gaat het om een herziening en terugvordering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van inkomsten uit handel in opgeknapte fietsen via Marktplaats.nl (Marktplaats). Het college heeft het recht op IOAW schattenderwijs vastgesteld op basis van de gevonden advertenties. Volgens appellant had het college moeten onderzoeken en vaststellen hoeveel hij daadwerkelijk verdiend had. Appellant krijgt daarin geen gelijk. Appellant heeft ook aangevoerd dat het college ten onrechte geen kostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend. Hierin krijgt hij wel gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 december 2025. Voor appellant is mr. Ergec verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Hyder en K. Zarouali.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontvangt sinds juni 2013 een uitkering op grond van de IOAW.
Het college heeft per post een visitekaartje ontvangen waarop de naam, het adres en telefoonnummer van appellant staan vermeld en ook dat hij graag oud ijzer komt ophalen bij mensen. Naar aanleiding hiervan is een medewerker van het team Juridische Zaken & Naleving van de gemeente Breda een onderzoek gestart naar het recht op uitkering van appellant. Uit dit onderzoek is gebleken dat de opbrengsten van appellant uit de handel in oud ijzer te verwaarlozen waren. Maar uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat appellant fietsen opknapte en deze te koop aanbood op Marktplaats. In totaal heeft het college op Marktplaats 83 advertenties gevonden waarin appellant fietsen te koop aanbood. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 november 2020.
Met een besluit van 28 december 2020 (besluit 1) heeft het college de uitkering van appellant herzien over de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2020. Met besluit 1 heeft het college ook de te veel gemaakte kosten van uitkering van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 3.047,75.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 1, maar met een besluit van 7 juli 2021 (bestreden besluit) is het college bij de herziening en terugvordering gebleven. Wel heeft het college, het bedrag van de terugvordering met € 120,- verlaagd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen door bij het college niet te melden dat hij in fietsen handelde en inkomsten uit deze handel genoot en dat hij daardoor te veel IOAW-uitkering ontvangen heeft. Daarbij heeft het college een schatting gemaakt van de opbrengsten van de handel in fietsen door 75% van de vraagprijs per fiets als inkomen van appellant in aanmerking te nemen in de maand dat de advertentie op Marktplaats is geplaatst.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank ook geoordeeld, dat het verlagen van het terugvorderingsbedrag bij de beslissing op bezwaar zag op het herstel van een schrijffout en dat appellant daarom geen recht had op een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt, voor zover dit ziet op de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Voor het overige slaagt het hoger beroep niet. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
In hoger beroep is niet in geschil dat appellant in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2020 fietsen via Marktplaats heeft verkocht, dat hij hierdoor inkomsten heeft genoten en dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college. Ook is niet in geschil dat appellant hiermee zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat hij hierdoor te veel uitkering heeft ontvangen.
De herziening van de uitkering
Appellant heeft aangevoerd dat het college zijn inkomsten te hoog heeft geschat. Het herzien van de uitkering is een belastend besluit, het college had daarom niet mogen schatten maar moeten onderzoeken en vaststellen voor welke bedragen de fietsen daadwerkelijk waren verkocht. Daarbij heeft appellant gesteld dat er bij de advertenties ook dubbeltellingen zitten. Ook had het college rekening moeten houden met de door appellant gemaakte kosten voor het opknappen van de fietsen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de IOAW-uitkering indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene recht heeft op een uitkering. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende uitkering zou hebben gehad. Vergelijk eerdere rechtspraak.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op IOAW-uitkering, dan is het betreffende bestuursorgaan gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op uitkering heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld.
Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden en een administratie van de door hem genoten inkomsten ontbreekt. Appellant heeft ook anderszins geen gegevens aangeleverd of andere aanknopingspunten gesteld op grond waarvan de inkomsten kunnen worden vastgesteld. Er waren dus geen feiten voorhanden op grond waarvan het college de opbrengsten precies kon vaststellen. De enige aanwezige concrete en verifieerbare gegevens daarover zijn de Marktplaatsadvertenties. Die heeft het college ook conform de onder 4.2.2 vermelde rechtspraak betrokken bij de besluitvorming.
Uit 4.2.1 volgt dat door het schenden van de inlichtingenverplichting op appellant de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat en in hoeverre hij ondanks die schending recht op IOAW-uitkering heeft. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan het college dus niet worden tegengeworpen dat hij niet nader heeft onderzocht en vastgesteld voor welke bedragen de fietsen daadwerkelijk waren verkocht en wat de voor het recht op IOAW relevante daadwerkelijke inkomsten waren. Het was aan appellant om hierover concrete en verifieerbare gegevens te verstrekken, wat hij niet heeft gedaan. Bij gebreke van dergelijke gegevens kon het college de schatting baseren op de Marktplaatsadvertenties en de daarin genoemde vraagprijzen. Wat appellant heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten om deze schatting voor onjuist te houden. Daarbij is ook nog van belang het vaststaande feit dat appellant de fietsen die hij opknapte en vervolgens verkocht steeds om niet had verkregen. Met de door het college gemaakte schatting van het inkomen op 75% van de vraagprijs per fiets is appellant dan ook niet tekortgedaan.
Appellant heeft nog aangevoerd dat de Marktplaats-advertenties zelf niet in het dossier zitten, waardoor hij deze niet heeft kunnen controleren. De Raad gaat hieraan echter voorbij nu de gemachtigde van appellant dit in strijd met de goede procesorde pas ter zitting van de Raad in hoger beroep naar voren heeft gebracht, hiervoor geen redenen heeft kunnen geven en het college niet in staat was hierop ter zitting adequaat te reageren. Daarbij is ook van belang dat het college bij het onderzoek voorafgaande aan besluit 1 appellant op 10 november 2020 heeft gehoord en hem daarbij het overzicht van de gevonden Marktplaatsadvertenties heeft voorgehouden. Appellant heeft toen aangegeven bekend te zijn met deze advertenties en dat hij dat overzicht verder niet te hoefde te zien.
Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien
Appellant heeft aangevoerd dat er dringende reden zijn om van terugvordering af te zien. Appellant is door de terugvordering in financiële problemen geraakt en was aangewezen op de voedselbank. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het college is verplicht om de uitkering terug te vorderen voor zover de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 25, eerste lid, van de IOAW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 25, zevende lid, van de IOAW.
De Raad heeft in verschillende uitspraken ten aanzien van de aan deze bepaling gelijkluidende bepalingen in andere socialezekerheidswetten tot uitdrukking gebracht dat een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken gebaseerd moet zijn op een belangenafweging. Dat geldt ook voor een besluit dat is gebaseerd op artikel 25, zevende lid, van de IOAW. Daarbij geldt namelijk, net als in de Participatiewet, ook het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
Op grond van wat appellant naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. In dat verband is allereerst van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Verder zijn de door appellant gestelde financiële problemen niet met bewijsstukken onderbouwd. Daarbij merkt de Raad op dat appellant de totale vordering ook inmiddels al heeft afgelost en hij bij die aflossing niet heeft gevraagd om lagere aflossingsbedragen.
In bezwaar gemaakte kosten
De beroepsgrond van appellant dat bij het bestreden besluit ten onrechte geen vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten is toegekend slaagt. Ter zitting van de Raad heeft het college erkend dat aan appellant een vergoeding voor de door hem in bezwaar gemaakte kosten had moeten worden toegekend, omdat aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. Het terugvorderingsbedrag was bij de beslissing op bezwaar verlaagd vanwege een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Hangende het bezwaar bleek namelijk dat het college bij besluit 1 ten aanzien van één maand een rekenfout had gemaakt. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
Conclusie en gevolgen
Gelet op 4.4 zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin geen vergoeding is toegekend voor de door appellant in bezwaar gemaakte kosten. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand. Dit betekent ook dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het college de door appellant gemaakte kosten in bezwaar ten onrechte niet heeft vergoed en omdat het hoger beroep slaagt, krijgt appellant een vergoeding voor zijn in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand. Deze vergoeding wordt vastgesteld op € 1.332,- (twee punten; € 666,- per punt) en op € 3.736,- (twee maal twee punten; € 934,- per punt), in totaal dus op € 5.068,-. Appellant heeft ook recht op vergoeding van het in beroep (€ 49,-) en hoger beroep (€ 136,-) betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) L. van Beelen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Artikel 13, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. […]
Artikel 17, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van de uitkering, dan wel trekt een besluit tot toekenning van de uitkering in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. […]
Artikel 25, eerste lid
Het college van de gemeente die de uitkering heeft verleend, vordert de uitkering terug voor zover de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 25, zevende lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15, tweede lid
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.