SAMENVATTING
25/2078 JW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 augustus 2025, 25/1693 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
In deze uitspraak bevestigt de Raad dat het college afwijzend mocht beslissen op een herhaalde aanvraag van appellant om jeugdhulp. Appellant heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren gebracht. De weigering om terug te komen van de eerdere besluitvorming is ook niet evident onredelijk. Gedurende een ondertoezichtstelling is het de GI, en niet het college, die bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Pas nadat de GI bepaald heeft dat en welke jeugdhulp is aangewezen, rijst de vraag of daarin kan worden voorzien door jeugdhulp in natura of in de vorm van een pgb.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De jeugdige is in voor een jeugdige begrijpelijke taal uitgenodigd om mondeling of op enige andere wijze zijn visie te geven.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 mei 2026. Voor appellant is verschenen zijn wettelijk vertegenwoordiger, [naam wettelijk vertegenwoordiger] , bijgestaan door mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W. de Kroon.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 2010, is gediagnosticeerd met een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) en is geboren met een XYY-syndroom. Sinds december 2022 gaat hij niet meer naar school. Appellant is op 20 december 2022 onder toezicht gesteld. Het Leger des Heils (LdH) is de gecertificeerde instelling (GI) die deze maatregel uitvoert.
Appellant heeft op 6 september 2024 een aanvraag gedaan bij het college voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw) in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Hij wil met een pgb jeugdhulp in de vorm van begeleiding inkopen bij [naam begeleider] . Op 19 september 2024 heeft een sociaal werker appellant medegedeeld dat de aanvraag wordt ‘afgesloten’ en dat appellant terecht kan bij de jeugdbeschermer van het LdH, die altijd contact kan opnemen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een besluit van 25 oktober 2024 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft het standpunt ingenomen dat bij een ondertoezichtstelling de gemeente niet de bevoegdheid heeft om te beslissen over de inhoud van de jeugdhulp. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
Op 10 oktober 2024 heeft appellant opnieuw een aanvraag gedaan voor jeugdhulp in de vorm van een pgb om per september 2024 persoonlijke begeleiding bij [naam begeleider] in te kopen. Met een besluit van 24 oktober 2024 heeft het college deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens het college is er geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
Op 16 november 2024 heeft appellant vervolgens weer een aanvraag gedaan voor jeugdhulp in de vorm van een pgb voor de begeleiding die [naam begeleider] geeft. Met een besluit van 26 november 2024, gehandhaafd met een besluit van 24 april 2025 (bestreden besluit), heeft het college ook deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb. Het college heeft het standpunt ingenomen dat appellant eerder op 6 september 2024 en 10 oktober 2024 inhoudelijk dezelfde aanvragen voor een pgb heeft ingediend en dat deze zijn afgewezen. Er is gesteld noch gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden of dat het besluit evident onjuist zou zijn. Het college heeft toegelicht dat ingevolge artikel 3.5 van de Jw de GI bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Het college is daaraan gebonden en zet de jeugdhulp in die de GI nodig acht, zij het dat de GI niet kan beslissen dat jeugdhulp op grond van artikel 8.1.1 van de Jw wordt verleend in de vorm van een pgb. Het college kan dus niet langer een besluit nemen over het verstrekken van jeugdhulp, aldus het college.
De ondertoezichtstelling is op 22 augustus 2025 beëindigd. Daarna is de jeugdhulp zoals hier in geschil door het college toegekend met ingang van 17 oktober 2025.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De aanvraag van appellant van 16 november 2024 is een herhaling van de aanvragen waarop het college eerder heeft beslist met besluiten van 25 oktober 2024 en van 24 oktober 2024. Niet in geschil is dat de gevraagde jeugdhulp is verleend door [naam begeleider] . Het college heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
Nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden
Appellant heeft betoogd dat artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing is, omdat het college destijds geen enkel onderzoek heeft gedaan naar zijn situatie en zorgbehoefte. Het college wist dan ook niet welke feiten en omstandigheden een rol hebben gespeeld bij de eerdere aanvragen, aldus appellant. Dit betoog slaagt niet. Voordat het college een besluit op een aanvraag voor jeugdhulp in de vorm van een pgb kan nemen, dient inderdaad vast te staan welke jeugdhulp nodig is. Maar het college heeft destijds geen onderzoek gedaan naar de vraag welke jeugdhulp nodig was, omdat het college zich bij de eerdere aanvragen niet bevoegd achtte om de jeugdhulp vast te stellen vanwege de ondertoezichtstelling. Ten tijde van de aanvraag van 16 november 2024 en de hier in geding zijnde besluitvorming was er nog steeds sprake van een ondertoezichtstelling. Er was dus met betrekking tot die afwijzingsgrond geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden.
Evident onredelijk
Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit evident onredelijk is overweegt de Raad het volgende. Het college heeft beoordeelt of het besluit waarvan herziening wordt gevraagd onmiskenbaar onjuist was en zich in dat kader met juistheid op het standpunt gesteld dat het LdH, en niet het college, bevoegd was ten tijde van het bestreden besluit te bepalen welke jeugdhulp voor appellant nodig is. Dit vloeit voort uit artikel 3.5 van de Jeugdwet (Jw). Appellant heeft er op gewezen dat het LdH appellant herhaaldelijk heeft verwezen naar het college omdat het LdH stelt niet de aangewezen instantie te zijn om een pgb aan te vragen en te beheren en ouders met gezag dat zelf kunnen doen. Voorts heeft hij gesteld dat de ondertoezichtstelling enkel de zorgen rondom een passende schoolplek betrof. Voor andere jeugdhulp blijft het college op grond van artikel 2.3 van de Jw bevoegd de jeugdhulp te bepalen en besluiten te nemen, volgens appellant.
Wat er ook zij van de stelling dat de ondertoezichtstelling enkel zag op het feit dat appellant niet meer naar school ging en de diverse instanties al langere tijd geen passend onderwijsalternatief boden – in de beschikking van de kinderrechter weegt wel het belang van juiste hulpverlening mee – appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het college voor een deel bevoegd bleef op grond van artikel 2.3 van de Jw. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen aanknopingspunten in de wet, de geschiedenis daarvan of de rechtspraak voor de stelling van appellant dat artikel 3.5. van de Jw niet geldt voor de gevallen waarin de verzochte jeugdhulp buiten de doelen van de ondertoezichtstelling valt. Als een ondertoezichtstelling is uitgesproken dient de GI te bepalen of, en zo ja, welke jeugdhulp aangewezen is. Met betrekking tot de stelling dat de GI niet de aangewezen instantie is om een pgb aan te vragen, wordt als volgt overwogen. Pas nadat de GI bepaald heeft dat en welke jeugdhulp is aangewezen, rijst de vraag of daarin kan worden voorzien door zorg in natura of door een pgb. In het laatste geval dient het college te beoordelen of aan de toekenningsvoorwaarden van een pgb is voldaan en of een van de weigeringsgronden aan de orde is. De GI heeft in het geval van appellant niet bepaald dat jeugdhulp, zoals neergelegd in de aanvragen, aangewezen was. Dit betekent dat de afwijzing door het college van de aanvraag van 6 september 2024 niet onmiskenbaar onjuist was en het college tot het standpunt kon komen dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is.
Het college mocht de aanvraag van appellant van 16 november 2024 dan ook afwijzen met verwijzing naar het oorspronkelijke besluit. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) M.G.J. van Eck
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Jeugdwet
Artikel 3.5.
1. De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.
2. Artikel 2.3, zesde lid , is van overeenkomstige toepassing.
3. De gecertificeerde instelling en het college leggen de wijze van overleggen vast in een protocol.
4. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien de verplichting tot het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing.
Artikel 8.1.1.
1. Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, verstrekt het college hun een persoonsgebonden budget dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.
2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:
a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
b. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en
c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.
3. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
4. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:
a. voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, of
b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid, onderdeel a, d of e.