ECLI:NL:CRVB:2026:1096

ECLI:NL:CRVB:2026:1096

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 25/82 POL
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Strafontslag. Diefstal. Aan appellante is een disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Net als de rechtbank heeft ook de Raad op grond van beschikbare informatie de overtuiging gekregen dat appellante een geldbedrag heeft weggenomen uit de woning van haar vriendin.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

25/82 POL, 25/83 POL

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2024, 24/2876 en 24/2879 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Korpschef van Politie (korpschef)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

Aan appellante is de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Haar wordt verweten dat zij geld uit een woning van een vriendin heeft weggenomen. Evenals de rechtbank heeft de Raad de overtuiging gekregen dat appellante de verweten gedraging heeft begaan. Het strafontslag blijft in stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A. Boeve, advocaat, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen hebben verklaard geen gebruik te zullen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante is met ingang van 31 januari 2022 tijdelijk aangesteld bij de politie, werkzaam en in opleiding bij het Team Operationele Begeleiding en Training (OBT) te [regio] , in de rang van aspirant.

Op 20 december 2022 was appellante op bezoek bij haar vriendin [naam vriendin] . [naam vriendin] woont in dezelfde woning als haar zus [naam zus] . Appellante is ervan beschuldigd dat zij die avond een bedrag van € 310,- heeft weggenomen uit de kast op de kamer van [naam zus] . Na aanvankelijk te hebben ontkend iets met het verdwenen geld te maken te hebben heeft appellante, nadat haar telefonisch was medegedeeld dat er cameraopnames van de diefstal waren gemaakt, op 21 december 2022 een bedrag van € 310,- betaald aan [naam zus] .

Van de beschuldiging heeft appellante op 5 januari 2023 melding gemaakt bij de leiding van het OBT [regio] .

Op 18 januari 2023 heeft [naam zus] tegen appellante aangifte gedaan van diefstal op 20 december 2022. Hierbij zijn camerabeelden en WhatsApp-berichten aan de politie overhandigd. Naar aanleiding van de aangifte is een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Met een besluit van 30 januari 2023 heeft de korpschef appellante meegedeeld dat er een disciplinair onderzoek door het team VIK zal worden ingesteld naar mogelijk (ernstig) plichtsverzuim van appellante. Omdat er een vermoeden is gerezen dat appellante ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd, is zij door de korpschef per direct en tot nader order buiten functie gesteld.

Op 12 juni 2023 heeft de korpschef zijn voornemen tot primair strafontslag en subsidiair ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de dienst, aan appellante uitgereikt. Verder heeft de korpschef besloten appellante te schorsen totdat een rechtspositioneel besluit over haar handelwijze is genomen. Tegen de schorsing is namens appellante bezwaar gemaakt.

Nadat namens appellante een zienswijze op het voornemen is gegeven, heeft de korpschef met een besluit van 3 juli 2023 aan appellante met onmiddellijke ingang primair strafontslag opgelegd. Subsidiair heeft de korpschef met dit besluit appellante ontslag wegens ongeschiktheid voor de dienst verleend. Hiertegen is namens appellante bezwaar gemaakt.

Met een besluit van 2 februari 2024 (bestreden besluit 1) heeft de korpschef het bezwaar tegen de schorsing ongegrond verklaard. Met een besluit van eveneens 2 februari 2024 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het ontslag ongegrond verklaard.

Met een kennisgeving van 29 februari 2024 heeft de officier van justitie besloten de aan appellante op 25 september 2023 opgelegde strafbeschikking in te trekken wegens gebrek aan bewijs.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft ten aanzien van het strafontslag geoordeeld dat het beroep op de onschuldpresumptie niet slaagt. Daartoe is overwogen dat er voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en het verleende strafontslag, dat uit het sepot in de strafzaak niet is op te maken waarom is overgegaan tot een sepot wegens gebrek aan bewijs en dat in dit verband van belang is dat in bestuursrechtelijke procedure minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure. Vervolgens heeft de rechtbank op basis van het dossier en wat is verklaard tijdens de zitting de overtuiging gekregen dat appellante een geldbedrag van € 310,- heeft weggenomen uit de woning van haar vriendin. De camerabeelden, die ook tijdens de zitting zijn bekeken, laten zien dat appellante op enig moment voor de kast komt te staan, driemaal een doelgerichte beweging maakt met haar armen, tweemaal een beweging maakt naar haar linkerschouder alsof zij iets onder haar kleding stopt en vervolgens wegloopt met een plat voorwerp in haar handen. Verder is op de camerabeelden een verandering te zien in de stand van het dekseltje van het kistje, waarin volgens [naam vriendin] het geld zat, voordat appellante in beeld verscheen en nadat zij uit beeld verdween. Appellante heeft geen plausibele verklaring gegeven voor wat zij bij de kast deed. De verklaring dat zij op zoek was naar een aansteker acht de rechtbank niet geloofwaardig, Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante en [naam vriendin] naar buiten zijn gegaan om te roken en dat het niet aannemelijk is dat appellante vervolgens pas na tien minuten naar binnen is gegaan om op zoek te gaan naar een aansteker. Verder is op de camerabeelden geen zoekende beweging te zien: haar bewegingen zijn doelgericht. Ook heeft appellante verschillende WhatsApp-berichten verstuurd die sterk de indruk wekken dat zij het geld heeft weggenomen. Het wegnemen van het geldbedrag moet worden aangemerkt als toerekenbaar plichtsverzuim. Gelet op de aard en ernst van gedraging acht de rechtbank het strafontslag niet onevenredig. De rechtbank is niet meer toegekomen aan de subsidiaire ontslaggrond, omdat de korpschef volgens de rechtbank de disciplinaire straf heeft mogen opleggen.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij het ontslagbesluit in stand is gelaten. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 2 voor zover dat ziet op het strafontslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak voldoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De Raad volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel dat het beroep van appellante op de onschuldpresumptie niet slaagt en dat hier geen sprake is van schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Net als de rechtbank heeft ook de Raad de overtuiging gekregen dat appellante het geldbedrag heeft weggenomen uit de woning van haar vriendin. Die overtuiging is gebaseerd op het beeldmateriaal (stills), maar met name op de WhatsAppberichten van appellante omdat die sterk de indruk wekken dat appellante het geld heeft weggenomen en dat zij zich daarvoor schaamt. Dat appellante een dag later € 310,- naar [naam zus] heeft overgemaakt versterkt deze overtuiging. De korpschef was dan ook bevoegd aan appellante een disciplinaire straf op te leggen.

Omdat de rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het strafontslag gerechtvaardigd was, komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond van ongeschiktheid voor de dienst.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat het ontslag van appellante in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B. Serno als voorzitter en K.H. Sanders en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) C.C.M. van 't Hol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand