26/1001 WMO15-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft op 28 mei 2026 hoger beroep ingesteld (zaaknummer 26/931 WMO15) tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 mei 2026, kenmerk 25/1160.
Daarnaast heeft verzoeker op 5 juni 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolgde artikel 8:82, derde lid, van de Awb is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt.
Bij brief van 9 juni 2026 is verzoeker erop gewezen dat een griffierecht van € 147,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 14 dagen na de dag van verzending van de brief dient te zijn voldaan.
Bij aangetekende brief van 24 juni 2026 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, verzoeker er rekening mee moet houden dat het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld kan worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen