23/3481 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van22 november 2023, 22/3527
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Z.M. Nasir, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De Raad heeft het hoger beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld, waaraan appellant en zijn gemachtigde digitaal hebben deelgenomen en mr. N. Fazli namens de minister fysiek is verschenen.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Op 20 juni 2025 heeft de minister een nieuw besluit genomen.
Op 26 maart 2026 heeft de gemachtigde van appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.
De minister heeft op het verzoek gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad komt tot de conclusie dat geen sprake is van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. De relevante besluitvorming ziet op het verzoek van appellant om loskoppeling van zijn vader bij zijn aanvraag voor een aanvullende beurs. Dat een aanvullende beurs is toegekend heeft uitsluitend te maken met het gegeven dat alsnog voor een aantal peiljaren inkomensgegevens van de vader bekend zijn geworden. Van loskoppeling is geen sprake. Ook voor de jaren 2023 en 2024 geldt dat geen sprake is van loskoppeling. De minister heeft voor die jaren weliswaar niet de inkomensgegevens van de vader van appellant vast kunnen stellen, maar dit heeft vervolgens niet tot loskoppeling en toekenning van een aanvullende beurs geleid.
Aangezien niet gezegd kan worden dat de minister geheel of gedeeltelijk aan appellant tegemoet is gekomen, wijst de Raad het verzoek van appellant om een proceskostenveroordeling af.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) A. Giesen