26/430 BBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2025, 25/5112 en 25/5438 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Appellant heeft op 9 maart 2026 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Via e-mailbericht van 14 april 2026 heeft advocaat mr. P.E. Stam laten weten appellant bij te staan in de onderhavige procedure.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 21 januari 2026 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 22 januari 2026 en dat 4 maart 2026 de laatste dag is waarop het hogerberoepschrift kon worden ingediend.
Het beroepschrift is op 9 maart 2026 per e-mailbericht bij de Raad ontvangen en dus na afloop van de beroepstermijn door appellant ingediend. Bij brief van 12 mei 2026 is gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
De gemachtigde van appellant heeft daarop bij brief van 9 juni 2026, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Appellant had sinds december 2025 contact met een rechtshulpverlener. Uit de correspondentie en contacten met deze rechtshulpverlener mocht appellant redelijkerwijs afleiden dat zijn zaak zou worden beoordeeld en dat, indien daartoe aanleiding bestond tijdig (pro forma) hoger beroep zou worden ingesteld. Zodra appellant na afloop van de beroepstermijn vernam dat dit niet was gebeurd en de rechtshulpverlener hem niet zou bijstaan heeft appellant zelf hoger beroep ingesteld. De termijnoverschrijding is niet verwijtbaar, maar veroorzaakt door een begrijpelijk vertrouwen dat de door hem ingeschakelde professioneel rechtsbijstandverlener de noodzakelijke proceshandeling zou verrichten. Ook de omstandigheid dat de termijnoverschrijding is beperkt tot vijf kalenderdagen, waarvan twee werkdagen, is een zwaarwegende aanwijzing dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het beperkte denkvermogen van appellant en het grote belang dat appellant heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn zaak.
Voor zover appellant heeft willen aanvoeren dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest tijdig beroep in te stellen omdat hij erop mocht vertrouwen dat de rechtshulpverlener de noodzakelijke proceshandelingen zou verrichten, wordt dit niet gevolgd. Als een partij wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van die partij. Een termijnoverschrijding is in een dergelijk geval doorgaans niet verschoonbaar vanwege de professionaliteit die bij beroepsmatig handelen mag worden verwacht. Op dit uitgangspunt wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Daarvan is hier niet gebleken. Bovendien blijkt uit de overgelegde correspondentie niet dat sprake is geweest van enige afspraak tussen appellant en de rechtshulpverlener over bijstand, door bijvoorbeeld het verrichten van (rechts-)handelingen of het vertegenwoordigen van appellant in enige procedure. Dat de termijnoverschrijding beperkt is gebleven tot vijf dagen maakt evenmin dat deze verschoonbaar is. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat appellant een groot belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn zaak. Zoals hiervoor is overwogen worden belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, niet betrokken in de beoordeling of een termijnoverschrijding verschoonbaar is.
De enkele stelling dat rekening moet worden gehouden met het beperkte doenvermogen van appellant leidt, zonder nadere toelichting, ook niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.