ECLI:NL:CRVB:2026:1105

ECLI:NL:CRVB:2026:1105

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 24/2098 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

In hoger beroep heeft het Uwv het ZW-dagloon per 1 april 2022 alsnog vastgesteld op € 150,57. Appellant heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van het eerdere besluit van 21 april 2022. Het Uwv heeft appellant een schadevergoeding aangeboden van € 1.000,-. Appellant is van mening dat dit bedrag geen recht doet aan zijn situatie en heeft de Raad verzocht om het bedrag aan immateriële schadevergoeding te bepalen. De Raad acht de door het Uwv geboden vergoeding van € 1.000,- billijk.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

24/2098 ZW, 26/374 ZW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2024, 23/7825 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

Bij besluit van 21 april 2022 heeft het Uwv appellant per 1 april 2022 een ZW-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 110,42. Appellant heeft het Uwv verzocht om herziening van het bij besluit van 21 april 2022 vastgestelde dagloon. Het Uwv heeft dit geweigerd. Terwijl de procedure in hoger beroep liep, heeft het Uwv het dagloon per 1 april 2022 alsnog vastgesteld op € 150,57. Appellant heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van het besluit van 21 april 2022. Het Uwv heeft appellant een schadevergoeding aangeboden van € 1.000,-. Appellant is van mening dat dit bedrag geen recht doet aan zijn situatie en heeft de Raad verzocht om het bedrag aan immateriële schadevergoeding te bepalen. De Raad acht de door het Uwv geboden vergoeding van € 1.000,- billijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.T. Sick hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 20 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van door hem geleden immateriële schade.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen toestemming hebben gegeven om af te zien van het houden van een zitting, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij besluit van 21 april 2022 heeft het Uwv appellant per 1 april 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 110,42. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor het besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Appellant heeft het Uwv verzocht om het dagloon van de ZW-uitkering te herzien omdat volgens hem de loongegevens in de polisadministratie van het Uwv niet kloppen voor de maand mei 2021.

Bij e-mailbericht van 6 juni 2023, door het Uwv aangemerkt als (primair) besluit, heeft het Uwv het verzoek om herziening van appellant inhoudelijk beoordeeld en het verzoek afgewezen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2023 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Procedure in hoger beroep

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon voor de ZW-uitkering ten onrechte is uitgegaan van de loongegevens in de polisadministratie, omdat deze gegevens volgens appellant voor de maand mei 2021 niet kloppen. Appellant stelt dat hij in de maand mei 2021 geen loon heeft ontvangen en dat daarom de loondagen in de maand mei 2021 buiten beschouwing moeten worden gelaten. Appellant heeft zijn standpunt onderbouwd met loonstroken en een e-mailbericht van zijn ex-werkgever waarin is vermeld dat appellant zijn eerste salarisbetaling in juni 2021 heeft ontvangen.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 20 februari 2026 het dagloon voor de ZW-uitkering per 1 april 2022 alsnog vastgesteld op € 150,57.

Appellant heeft bij brief van 1 april 2026 aan de Raad laten weten dat hij zich kan verenigen met de hoogte van het dagloon zoals dat is vastgesteld in de beslissing op bezwaar van 20 februari 2026. Appellant heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade.

Het Uwv heeft gereageerd op het verzoek om schadevergoeding. In deze reactie heeft het Uwv de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkend. Het Uwv acht gelet op de opgelopen frustratie van appellant en de mentale problemen die appellant heeft toegelicht, een vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- aangewezen.

Appellant heeft in een reactie hierop het standpunt ingenomen dat de door het Uwv aangeboden schadevergoeding geen recht doet aan zijn situatie en de Raad verzocht de hoogte van de schadevergoeding te bepalen.

Het oordeel van de Raad

Het hoger beroep

4. Het Uwv heeft het bestreden besluit niet langer gehandhaafd en daarvoor het besluit van 20 februari 2026 in de plaats gesteld. Omdat appellant zich kan verenigen met het besluit van 20 februari 2026 wordt dit besluit ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet betrokken in de beoordeling van het hoger beroep. De onrechtmatigheid van het bestreden besluit is niet in geschil. De Raad stelt daarom vast dat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. De Raad zal daarom het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaren.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding

Niet in geschil is dat het primaire besluit van 6 juni 2023 en het bestreden besluit onrechtmatig zijn. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade.

Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding aangevoerd dat de gehele procedure veel impact heeft gehad op zijn gezondheid. Volgens appellant was alle benodigde informatie om het dagloon juist vast te stellen vanaf half juli 2022 aanwezig bij het Uwv. Desondanks heeft het meer dan drieënhalf jaar geduurd voordat het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld. Appellant heeft vaak contact opgenomen met het Uwv over het dagloon, maar hij voelt zich niet gehoord door het Uwv. Daarnaast heeft dit voor appellant tot financiële problemen geleid omdat hij een derde van zijn inkomen miste. Dit alles heeft bij appellant tot veel frustratie en mentale problemen geleid, waarvoor hij in behandeling is geweest bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Appellant is nu in behandeling bij de afdeling psychiatrie in het ziekenhuis.

Het Uwv heeft zich bereid verklaard om, naast een vergoeding van de wettelijke rente, een vergoeding voor immateriële schade te betalen tot een bedrag van € 1.000,- gezien de opgelopen frustratie en mentale problemen. De Raad acht een vergoeding van € 1.000,- billijk, nu appellant zijn standpunt niet met concrete gegevens heeft onderbouwd. Dat het bestreden besluit een negatieve weerslag heeft gehad op het leven van appellant, is voorstelbaar, maar op zichzelf onvoldoende voor toekenning van een (hogere) immateriële schadevergoeding.

Proceskosten

5. Omdat het Uwv met het besluit van 20 februari 2026 aan appellant is tegemoetgekomen, bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Uwv heeft bij het besluit van 20 februari 2026 de kosten in bezwaar al vergoed.

Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand.

Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.802,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) M.J.D. van Haren

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht

1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

[…]

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

[…]

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand