ECLI:NL:CRVB:2026:1107

ECLI:NL:CRVB:2026:1107

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 23/3261 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WGA-vervolguitkering van appellante per 9 juni 2021 heeft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Volgens appellante heeft zij meer medische beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij daarom de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt na raadpleging van een deskundige, naar aanleiding waarvan een gewijzigde FML is opgesteld, niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WGA-vervolguitkering per 9 juni 2021 juist heeft vastgesteld.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

23/3261 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 oktober 2023, 22/723 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WGA-vervolguitkering van appellante per 9 juni 2021 heeft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Volgens appellante heeft zij meer medische beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en zij daarom de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WGAvervolguitkering per 9 juni 2021 juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 september 2024. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met nummer 21/4421 WIA. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.C.M. Peper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

Het onderzoek is na de zitting heropend.

De Raad heeft verzekeringsarts F.J. Perquin als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 14 mei 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben gereageerd op het rapport van de deskundige.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een tweede zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. Na het sluiten van het onderzoek zijn de zaken gesplitst. In de zaak 21/4421 WIA wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster en huishoudelijk medewerkster voor gemiddeld 26,86 uur per week. Sinds 18 november 2019 ontving appellante een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 53,30%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2021 appellante met ingang van 9 juni 2021 een WGA-vervolguitkering toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 21 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 maart 2022 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. In de beroepsprocedure heeft alsnog een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft enkele bij de eerdere beoordeling geselecteerde functienummers laten vervallen nu deze op de datum in geding niet meer actueel waren. Er zijn voldoende functies overgebleven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 53,60%. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 8 juli 2022 voldoende gemotiveerd waarom in de door appellante overgelegde medische stukken geen aanleiding bestaat meer beperkingen aan te nemen. In de rapporten van medisch adviseur/verzekeringsarts H. Donkers heeft de rechtbank geen aanleiding om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Met betrekking tot het arbeidskundig onderzoek heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (lees: arbeidsdeskundige bezwaar en beroep) in het rapport van 9 januari 2023 voldoende heeft uitgelegd waarom appellante geschikt is voor de geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de signaleringen binnen de functies voldoende gemotiveerd dat de functies passend zijn en daarmee de geschiktheid voldoende overtuigend toegelicht. Omdat pas in de beroepsprocedure een arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering. De rechtbank heeft het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd. De rechtbank heeft beslissingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat meer beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) dienen te worden opgenomen. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op door haar ingebrachte rapporten van Donkers.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Benoeming deskundige

5. Door de verschillen van inzicht tussen de verzekeringsartsen van het Uwv en de door appellante ingeschakelde Donkers, is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van de belastbaarheid van appellante per 9 juni 2021 zoals verwoord in de FML. De Raad heeft daarin aanleiding gezien een deskundige te benoemen.

De Raad heeft verzekeringsarts Perquin als deskundige benoemd. De deskundige heeft het dossier bestudeerd en appellante onderzocht. De deskundige heeft in zijn rapport van 14 mei 2025 geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding 9 juni 2021 sprake is van verschillende persoonlijkheidsstoornissen. Wat betreft de urenbeperking is er volgens de deskundige, afhankelijk hoe intensief de behandeling wordt ingeschat en hoe ruim benodigde recuperatienoodzaak te beschouwen is, een onderbouwing voor het standpunt van het Uwv (een urenbeperking van vier uur per dag, twintig uur per week), maar ook voor een duurbeperking in overeenstemming met de beoordeling van medisch adviseur Donkers (een urenbeperking van vier uur per dag, twaalf uur per week). Er is een zekere discretionaire ruimte in de beoordeling waarbij zowel door de verzekeringsarts bezwaar en beroep als door Donkers valide argumenten worden genoemd.

Wat betreft de noodzaak van begeleiding is er volgens de deskundige in de systematiek van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem 5, maar ook op basis van het niveau van functioneren zoals af te leiden is uit de stukken voor de datum in geding 9 juni 2021, geen onderbouwing voor een aanvullende beperking voor extra begeleiding en toezicht. Er is wel een onderbouwing voor de noodzaak van een voorspelbaar rooster. Wisselende tijden overdag zijn mogelijk mits vooraf bekend.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 24 juni 2025 een rapport uitgebracht en een gewijzigde FML opgesteld, waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van item 2.12.3 (aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevende, géén solitaire functie) en item 6.4 (aangewezen op regelmatige werktijden).

Met de gewijzigde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 27 juni 2025 vervolgens geconcludeerd dat de voor appellante geselecteerde functies onveranderd geschikt blijven. Het Uwv heeft het bestreden besluit dan ook gehandhaafd.

Appellante heeft te kennen gegeven het hoger beroep te handhaven en herhaald dat zij intensief is behandeld en extra recuperatietijd nodig heeft gehad.

Het oordeel van de Raad

6. In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 9 juni 2021 heeft vastgesteld op 45 tot 55%. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft appellante gezien op een spreekuur, waarbij een uitgebreide anamnese en een uitvraag van de klachten is afgenomen. De deskundige heeft alle informatie in zijn beoordeling betrokken. Op basis daarvan heeft de deskundige geconcludeerd dat een voorspelbaar rooster noodzakelijk is. Wat betreft de duurbeperking is volgens de deskundige zowel het standpunt van het Uwv als dat van Donkers verdedigbaar. Daarbij heeft de deskundige opgemerkt dat een volledig inzicht in de urenbelasting van de behandeling in de stukken niet beschikbaar is.

In het rapport van 24 juni 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet hoe de conclusies van de deskundige zijn vertaald naar aanvullende beperkingen in de FML van dezelfde datum, waarin appellante aanvullend beperkt is geacht op item 2.12.3 (aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevende, géén solitaire functie) en item 6.4 (aangewezen op regelmatige werktijden). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat appellante in staat is om zonder toezicht en begeleiding eenvoudige taken uit te voeren en dat het niet noodzakelijk is om bij elke taak onder toezicht of begeleiding te staan. Appellante kan taken alleen doen, maar zij kan geen solitair werk doen en zij moet kunnen terugvallen op collega’s of een leidinggevende om direct hulp te kunnen inroepen. Dit gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd.

Wat betreft de urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 24 juni 2025 uitvoerig gemotiveerd waarom, gelet op wat in de standaard Duurbelasting in Arbeid is opgenomen over verminderde beschikbaarheid in het geval van een langdurige behandeling en gelet op wat blijkt uit de stukken en de mededelingen van appellante zelf over haar behandeling, door hem per 9 juni 2021 geen reden is gezien voor een verdergaande urenbeperking dan al is aangenomen. Dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Wat betreft de intensiteit van de behandeling op 9 juni 2021 heeft de Raad appellante nog gevraagd om een overzicht van haar afspraken van de door haar gevolgde behandelingen rond de datum in geding te verstrekken. De stukken die appellante vervolgens heeft overgelegd – uitdraaien van afspraken met verschillende behandelaars over een langere periode, zonder dat daarbij een inzichtelijke conclusie met betrekking tot de frequentie van de afspraken en de duur van de behandelingen is opgenomen – geven geen aanleiding om op dit punt tot een andere conclusie te komen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er geen twijfel over de juistheid van het standpunt van het Uwv dat in de (naar aanleiding van het deskundige rapport) aangepaste FML van 24 juni 2025 in voldoende mate rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellante op 9 juni 2021.

Arbeidskundige beoordeling

Met de aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante ongewijzigd 53,60% arbeidsongeschikt is op 9 juni 2021. Aan deze beoordeling liggen de functies productiemedewerker industrie (samenstellen producten) (SBC-code 111180), medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161) en samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130) ten grondslag. Uitgaande van de juistheid van de FML van 24 juni 2025, wordt het Uwv gevolgd in het standpunt dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van Awb is genomen. Aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld, omdat ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb daarom worden gepasseerd. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

7. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb in hoger beroep geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Aangezien de rechtbank in de aangevallen uitspraak een proceskostenveroordeling in beroep heeft uitgesproken, ligt nog ter beoordeling voor de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 934). Daarbij is met toepassing van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht deze zaak als samenhangend met zaak 21/4421 WIA aangemerkt. Bij de uitspraak van heden in laatstgenoemde zaak zijn de reacties en het verschijnen ter zitting bij Raad al in de begroting van de proceskosten begrepen. Dat geldt ook voor de reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de Raad en de kosten die appellante heeft gemaakt voor het indienen van de rapporten van medisch adviseur Donkers.

Daarnaast dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.J.D. van Haren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand