SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1692 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2025, 24/6043 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv bij de berekening van de aflossingscapaciteit van appellant toepassing mocht geven aan artikel 3, tweede lid van de Regeling, waarin is bepaald dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv artikel 3, tweede lid, van de Regeling buiten toepassing moeten laten en een lagere aflossingscapaciteit moeten vaststellen. De Raad voorziet zelf in de zaak en stelt de aflossingscapaciteit vast op nihil.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mulder en mr. P.H. Oldhoff. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering. Hij heeft een schuld aan het Uwv. De schuld is ontstaan als gevolg van herziening en terugvordering van de toeslag op de uitkering die appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving in de periode van 14 mei 2005 tot en met 31 maart 2018, en een aan appellant opgelegde boete. De vordering van het Uwv op appellant staat in rechte vast.
Uit de brief van 1 maart 2019 blijkt dat het Uwv een betalingsregeling met appellant heeft afgesproken, waarbij het te betalen bedrag per maand is vastgesteld op € 36,39. Bij besluit van 18 april 2019 heeft het Uwv het verzoek van appellant tot kwijtschelding van de vordering afgewezen, omdat appellant zich niet aan de betalingsregeling heeft gehouden. Ook is vastgesteld dat appellant geen aflossingscapaciteit heeft. Bij beslissing op bezwaar van 21 oktober 2019 heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd. Het Uwv heeft bij besluiten van 14 oktober 2019, 1 september 2020 en 20 januari 2023 vastgesteld dat appellant op dat moment geen aflossingscapaciteit heeft waardoor hij niet aan het Uwv kan terugbetalen.
In de brief van 10 oktober 2023 heeft het Uwv het maandelijks te betalen bedrag, met inachtneming van de voor appellant geldende beslagvrije voet van € 1.235,-, vastgesteld op € 151,-. Op 1 februari 2024 heeft het Uwv appellant bericht dat hij het hele bedrag van € 10.442,98 in één keer aan het Uwv moet terugbetalen en dat de voor appellant geldende beslagvrije voet € 1.335,- is. Op 29 februari 2024 heeft appellant het formulier “Aanpassen gegevens voor berekening beslagvrije voet” (het aanvullingsformulier) ingediend, waarin hij te kennen heeft gegeven dat zijn woonkosten gewijzigd zijn. Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het Uwv meegedeeld dat de gegevens in het aanvullingsformulier geen invloed hebben op de berekende beslagvrije voet. Het aflossingsbedrag is, met inachtneming van de beslagvrije voet van € 1.335,-, vastgesteld op € 120,- per maand.
Bij beslissing op bezwaar van 16 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft toegelicht dat op goede gronden een beslagvrije voet van € 1.335,- is gehanteerd en dat appellant niet in aanmerking komt voor kwijtschelding.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt. In meerdere brieven is aangegeven dat het Uwv regelmatig een inkomens- en vermogensonderzoek zal uitvoeren en in de beslissing op bezwaar van 21 oktober 2019 is vermeld dat mogelijke wijzigingen in wet- en regelgeving gevolgen kunnen hebben voor de aflossingscapaciteit. Naar het oordeel van de rechtbank kon appellant er niet vanuit gaan dat hij niet hoefde af te lossen als er niets veranderde in zijn situatie.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het aannemen van een kennelijk onredelijk resultaat, als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (de Regeling). Appellant heeft geen andere schulden. De enkele omstandigheid dat door de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) per 1 januari 2021 de aflossingscapaciteit van appellant is gestegen van € 0,- tot € 120,-, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling. De verwijzing van appellant naar de uitspraak van de Raad van 16 januari 2025 kan appellant niet baten, omdat de Raad daarin tot de conclusie kwam dat geen sprake was van een kennelijk onredelijk resultaat. Appellant heeft verder geen andere feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het benutten van de volledige aflossingscapaciteit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De beslagvrije voet is vastgesteld in overeenstemming met de Wvbvv die op 1 januari 2021 in werking is getreden. Door deze wetswijziging is de hogere beslagvrije voet voor AOW-gerechtigden komen te vervallen en is de aflossingscapaciteit van appellant, zonder dat zijn inkomen is gewijzigd, op € 120,- vastgesteld. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat zolang er geen sprake is van toename van inkomen, de aflossingscapaciteit nihil zou blijven. Appellant heeft verwezen naar uitspraken van de Raad van 16 januari 2024 en 16 januari 2025. Volgens appellant gaat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) voorbij aan de impact van deze wetswijziging op individuele gevallen en is geen oplossing gevonden voor AOWgerechtigden.
Verder doet appellant een beroep op de hardheidsclausule van artikel 3, zevende lid, van de Regeling. Volgens appellant leidt het benutten van de volledige aflossingscapaciteit tot een kennelijk onredelijk resultaat. Uit het door appellant overgelegde overzicht van de inkomsten en uitgaven van appellant over de maand juli 2025 blijkt dat appellant een beperkt overschot heeft van € 120,-. Dit beperkte bedrag zou appellant moeten aanwenden om een financiële buffer op te bouwen, zoals door de overheid en het Nibud nadrukkelijk wordt geadviseerd. Als ouder echtpaar vormen onvoorziene hogere zorgkosten een reëel en aanzienlijk risico voor appellant en zijn echtgenote. Met het aflossen van € 120,- per maand kan appellant mogelijk zijn vaste lasten niet meer betalen waardoor betalingsachterstanden kunnen ontstaan.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de aflossingscapaciteit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vertrouwensbeginsel
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de aflossingscapaciteit nihil zou blijven. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in meerdere brieven uitdrukkelijk is vermeld dat het Uwv regelmatig een inkomens- en vermogensonderzoek zal uitvoeren en dat in de beslissing op bezwaar van 21 oktober 2019 is vermeld dat mogelijke wijzigingen in wet- en regelgeving gevolgen kunnen hebben voor de aflossingscapaciteit.
Toepassing artikel 3 van de Regeling
In de uitspraak van 26 januari 2024 heeft de Raad geconstateerd dat met de invoering van de Wvbvv in hoofdzaak vereenvoudiging van de berekening van de beslagvrije voet en vergroting van de transparantie daarover is beoogd. Het doel van de Wvbvv was niet de aflossingscapaciteit van burgers op een hoger bedrag te stellen. De Regeling die verrekening ten bedrage van de volledige aflossingscapaciteit voorschrijft, dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wvbvv en is niet gewijzigd. De inwerkingtreding van de Wvbvv heeft niet zichtbaar geleid tot een heroverweging van de Regeling, eventueel met een weloverwogen uitkomst dat deze geen aanpassing behoeft. Het feit dat binnen de sociale zekerheid de berekening van de beslagvrije voet ten behoeve van verrekening (die niet leeftijdsafhankelijk is) en de bijstandsnorm (die hoger is voor personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt) uiteenlopen wat betreft de vraag wat het minimum is waar iemand, mogelijk langdurig, van kan leven, vraagt echter in beginsel wel om een heroverweging van de Regeling door de minister. Dit betekent dat de artikelen 3 en 4, tweede lid, van de Regeling niet aan besluiten tot vaststelling van de aflossingscapaciteit van AOW-gerechtigden ten grondslag kunnen worden gelegd. Zolang de artikelen 3 en 4, tweede lid, van de Regeling niet zijn aangepast of in ieder geval de positie van personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt niet deugdelijk en kenbaar is heroverwogen, zal – los van eventuele toepassing van de hardheidsclausule – toepassing van een beslagvrije voet van 95% met inachtneming van de voor pensioengerechtigden geldende bijstandsnorm de toets van de Raad kunnen doorstaan.
Met de brief van 3 september 2024 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) heeft de door de Raad in de uitspraak van 26 januari 2024 verlangde heroverweging plaatsgevonden. In die brief staat dat tot het moment dat de heroverweging kenbaar is gemaakt, artikel 3, tweede lid, van de Regeling buiten werking blijft. Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat het Uwv na publicatie van de heroverweging bij zijn invorderingsbeleid in nieuwe situaties weer uitgaat van de volledige aflossingscapaciteit zoals de Regeling voorschrijft. Situaties waarin sinds de uitspraak van de Raad een lagere aflossingscapaciteit was vastgesteld voor zolang de heroverweging nog niet had plaatsgevonden, blijven volgens de staatssecretaris in ieder geval ongewijzigd tot het moment van de jaarlijkse herberekening. Op het moment van de herberekening is de nieuwe Regeling van kracht die meer mogelijkheden biedt om een schuld te spreiden over een lange periode.
Uit bovengenoemde uitspraak van de Raad van 26 januari 2024 en de brief van de staatssecretaris volgt dat een wettelijke grondslag voor het besluit van 1 maart 2024 ontbreekt. Het Uwv heeft artikel 3, tweede lid, van de Regeling ten onrechte niet buiten toepassing gelaten.
Het Uwv heeft voorts in het bestreden besluit ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 januari 2025, volhard in het standpunt dat artikel 3, tweede lid, van de Regeling wel van toepassing is. Dat inmiddels een heroverweging heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de brief van de staatssecretaris volgt immers dat artikel 3 van de Regeling niet toegepast wordt bij besluiten van vóór deze heroverweging, maar dat het Uwv bij zijn invorderingsbeleid alleen in nieuwe situaties of bij de jaarlijkse herberekening weer uitgaat van de volledige aflossingscapaciteit zoals de Regeling voorschrijft. De ontbrekende wettelijke grondslag voor het besluit van 1 maart 2024 kan daarmee niet worden hersteld.
De Raad benadrukt dat uit eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 16 januari 2025 volgt dat in nieuwe situaties en bij herberekeningen gemaakt na publicatie van de heroverweging van de staatssecretaris, artikel 3, tweede lid, van de Regeling wel aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 1 maart 2024 te herroepen en de aflossingscapaciteit op nihil vast te stellen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.
5. Appellant krijgt een vergoeding voor de kosten die hij in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. De kosten voor rechtsbijstand in bezwaar worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 666,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,-). De kosten voor rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,‑) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Het totale bedrag aan proceskosten dat het Uwv moet vergoeden bedraagt € 4.402,-. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en F.M. Rijnbeek en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) B. Uçurum