ECLI:NL:CRVB:2026:1110

ECLI:NL:CRVB:2026:1110

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 25/1700 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante geschikt wordt geacht voor haar laatste werk. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1700 ZW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, 24/964 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 18 augustus 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.G. Smouter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Smouter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als technisch onderwijsassistent (toa) voor 20,8 uur per week. Op 6 april 2021 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante na beëindiging van het dienstverband een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante weer geschikt geacht voor haar eigen werk. Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft het Uwv het recht op ziekengeld per 30 augustus 2022 beëindigd. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Per 15 februari 2023 heeft appellante zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten als gevolg van een auto-ongeval. Appellante ervaart als gevolg van het auto-ongeluk klachten aan haar polsen, nek en rug. Het auto-ongeluk heeft tevens angst- en paniekaanvallen getriggerd waarmee appellante al sinds 2016 bekend is. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de ZW toegekend. Op 17 augustus 2023 heeft zij het spreekuur bezocht van een arts. De arts heeft het aannemelijk geacht dat appellante na het autoongeluk tijdelijk niet in staat is geweest om te werken en dat appellante ten tijde van het spreekuur geen actieve behandeling onderging voor haar klachten. Daarnaast onderhoudt appellante zichzelf, het huishouden en sociale contacten en presenteert zij zich gedurende het spreekuur adequaat. Deze arts heeft appellante geschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 17 augustus 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering per 18 augustus 2023 beëindigd.

Bij besluit van 11 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Naast dossieronderzoek is appellante onderzocht op een spreekuur door de arts, waarbij een uitgebreide anamnese is afgenomen en appellante fysiek is onderzocht. In bezwaar is informatie bij de huisarts opgevraagd en ontvangen.

Ook inhoudelijk heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv niet onjuist geacht. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zij per 18 augustus 2023 ongeschikt is voor haar arbeid in verband met onder meer spanningsklachten die voortvloeien uit PTSS. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 13 mei 2025 toegelicht dat met angst- en spanningsklachten al rekening is gehouden. De medische informatie die is overgelegd brengt het ziektebeeld en de belastbaarheid per datum in geding niet in een ander licht. De rechtbank heeft deze motivering navolgbaar geacht en geoordeeld dat uit de omstandigheid, dat eind augustus 2024 werd geconstateerd dat de psychologische behandeling tot dan toe onvoldoende resultaat had geboekt en dat intensivering van de behandeling met EMDR werd geadviseerd, niet kan worden afgeleid dat de beoordeling per augustus 2023 onjuist is geweest.

Wat betreft de maatgevende arbeid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante op 6 april 2021 een vragenlijst heeft ingevuld met daarin een beschrijving van taken en handelingen en de belasting in dat werk. Verder heeft appellante op de hoorzitting ook een toelichting op de inhoud van de werkzaamheden en de belastende aspecten daarvan gegeven. Daarmee heeft het Uwv voldoende onderzoek verricht naar de belasting in de maatgevende arbeid. In het rapport van de primaire arts is vermeld dat het gaat om studenten individueel en in groepjes begeleiden, docenten ondersteunen bij uitval, adviseren van leerkrachten over veiligheidsregels, voorbereiden van praktijklessen, kleine reparaties uitvoeren aan apparatuur en input leveren voor de lesprogramma’s. Tijdens de hoorzitting heeft appellante blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog vermeld dat het voorbereiden van de lessen bijvoorbeeld het klaarzetten van PC’s inhield, het verplaatsen van tafels, opruimen, leerlingen helpen met vragen/uitleg geven, printtaken en af en toe vergaderen met leerkrachten. Het Uwv is naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het gaat om ondersteunende werkzaamheden. Er zijn weliswaar beperkingen in flexibiliteit, zeer sterk wisselende werkzaamheden, deadlines, het veelvuldig hanteren van conflicten en het dragen van eindverantwoordelijkheid, maar deze aspecten komen in de maatgevende functie niet voor.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat zij gezien haar problematiek niet in staat kan worden geacht de maatgevende arbeid te vervullen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over beëindiging van het recht op ziekengeld in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

De gronden in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden die appellante eerder in de procedure heeft aangevoerd. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de beoordeling door het Uwv juist is en dat de gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

Uit de informatie van [GGZ instelling] van 27 juni 2025 blijkt dat de traumabehandeling, die in 2024 was gestart, in 2025 is afgerond. Appellante heeft ter zitting aangegeven dat zij in 2024 haar HBO-opleiding heeft afgerond en na afloop van de traumabehandeling onder andere als zzp-er in de zorg is gestart. Volgens appellante wordt met het feit dat het haar, na de gevolgde traumabehandeling, wel lukt om te werken aangetoond, dat de eerdere beoordeling onjuist was. Het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat dit met betrekking tot de datum in geding 18 augustus 2023 geen nieuw licht op de medische beoordeling werpt. Op zitting is door het Uwv toegelicht dat appellante al bekend was met PTSS klachten, het was ook bekend dat appellante al eerder EMDR had gevolgd en er zijn beperkingen aangenomen voor angst- en spanningsklachten, waarbij ook de bevindingen tijdens het spreekuur ten tijde van de datum in geding zijn meegewogen. Zoals in 5.1 is overwogen staat ter beoordeling of appellante op de datum in geding haar werk als toa kon verrichten. Dat appellante pas na afloop van de traumabehandeling in staat was werk als zzp-er te verrichten maakt niet dat de medische beoordeling met betrekking tot de maatgevende arbeid als toa per 18 augustus 2023 onjuist was.

De grond van appellante, dat zij in de maatgevende arbeid vaker bij ziekte van een docent alleen voor de klas heeft gestaan, maakt de beoordeling niet anders. Appellante heeft deze grond niet nader met stukken onderbouwd. Verder heeft appellante ter zitting bij de Raad bevestigd dat een toa niet bevoegd is om een docent te vervangen. Als dit bij appellante wel is gebeurd, dan is dit een verzwarende omstandigheid in het eigen werk ten opzichte van soortgelijke arbeid, waarmee bij de vaststelling van de maatgevende arbeid op grond van artikel 29, derde lid, van de ZW, geen rekening kan worden gehouden.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat beëindiging recht op ziekengeld in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) C.C.M. van ’t Hol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand