ECLI:NL:CRVB:2026:1113

ECLI:NL:CRVB:2026:1113

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 24/1739 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Benoeming deskundige. Het rapport van de door Raad ingeschakelde deskundige psychiater 17 maart 2026 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De rechtbank heeft gelet op de juistheid van de beperkingen in de FML van 22 mei 2023, geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/1739 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2024, 24/879 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIAuitkering van appellant heeft beëindigd per 1 maart 2024 omdat hij per 7 juli 2022 en 24 mei 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WIAuitkering heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak, deels via videobellen, behandeld op een zitting van 26 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maachi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.C.M. Levels.

Het onderzoek is heropend na de zitting en dr. C.C. Kan, psychiater, is als onafhankelijke deskundige benoemd.

De deskundige heeft op 17 maart 2026 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft bij brief van 27 maart 2026 een zienswijze ingediend.

Appellant heeft bij e-mailberichten van 9 april 2026, 24 april 2026 en 2 mei 2026 een zienswijze ingediend.

Op 26 april 2026 heeft de deskundige desgevraagd gereageerd op de zienswijze van partijen.

Appellant heeft bij e-mailbericht van 26 mei 2026 gereageerd op de rapporten van de deskundige. De deskundige heeft op 11 juni 2026 gereageerd op dit e-mailbericht, waarop appellant bij e-mailbericht van 7 juli 2026 een reactie heeft ingezonden.

Het onderzoek is, via videobellen, hervat op 8 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maachi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Levels.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker horeca voor 35,50 uur per week. Op 30 mei 2016 heeft hij zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft ingediend, heeft het Uwv appellant, per einde wachttijd 28 mei 2018 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht.

Appellant heeft daarna vanaf 10 maart 2019 gewerkt als een ober in het buitenland. Hij heeft zich op 9 juli 2020 vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de WW ontving, ziekgemeld met rugklachten en uitstralende pijn naar het linkerbeen en met een toename van de al bestaande psychische klachten.

In het kader van de einde wachttijdbeoordeling, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 september 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid van 50,14% vastgesteld. Het Uwv heeft bij besluit van 8 november 2022 (besluit 1) appellant met ingang van 7 juli 2022 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend op grond van de WIA. Bij besluit van 7 maart 2023 (besluit 2) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn loongerelateerde WGAuitkering per 24 mei 2023 wordt omgezet in een vervolguitkering.

Nadat appellant in bezwaar heeft aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is, heeft er onderzoek plaatsgevonden door een arts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Deze hebben gerapporteerd bij rapporten van 22 mei 2023, onderscheidenlijk 5 juni 2023. Bij brief van 6 juni 2023 heeft het Uwv appellant op de hoogte gesteld van het voornemen de besluiten 1 en 2 te wijzigen. Appellant heeft zijn reactie hierop ingezonden, waarna het Uwv heeft gereageerd bij rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 december 2023 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 december 2023.

Bij besluit van 29 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellant gemaakte bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat hij per 7 juli 2022 en 24 mei 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat appellant, gelet op de uitlooptermijn, vanaf 1 maart 2024 geen recht meer heeft op een WIAuitkering. Hieraan liggen rapporten van een arts bezwaar en beroep, verzekeringsarts bezwaar en beroep, een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een FML van 22 mei 2023 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht, dat de medische beoordeling van het Uwv juist is en dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld.

In het rapport van 22 mei 2023 is gemotiveerd toegelicht door de arts bezwaar en beroep waarom in dit geval meer waarde is toegekend aan de in Nederland ingezette expertise onderzoeken van de psychiater D. Lam en de neuroloog J.W.M. Brans dan aan de ingebrachte medische informatie uit Slowakije, en hoe de verschillende onderzoeksgegevens zich verhouden tot de vaststelling van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek.

Voor wat betreft de gestelde psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dat verband van belang geacht dat psychiater Lam uitgebreid en conform de daarvoor geldende NVMSR-richtlijnen heeft gerapporteerd. Appellant is in dat kader uitgebreid gezien en onderzocht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in het rapport van psychiater Lam duidelijk gemotiveerd op welke wijze de onderzoeksbevindingen dienen te worden geïnterpreteerd, en volgen de conclusies van de expertise ook logisch uit de onderzoeksbevindingen. De medische stukken afkomstig van de Slowaakse psychiaters en psychologen zijn daarentegen steeds kort en beschrijven voornamelijk klachten en diagnoses, maar geven geen blijk van onderbouwing en objectivering door onderzoeksgegevens. Een motivering van enige diagnose conform DSM5 is niet aanwezig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in dat verband ook op gewezen dat de uit de Slowaakse stukken af te leiden lage behandelfrequentie – met vaak pas weer een afspraak na twee maanden, tenzij appellant het nodig acht eerder een afspraak te maken – niet passend is bij de geclaimde ernstige psychopathologie en niet goed verenigbaar is met het advies om appellant op te nemen als het niet beter gaat. Verder konden de bevindingen van psychiater Lam ook worden bevestigd tijdens het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gehouden beeldbelspreekuur. Op basis daarvan zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende concrete aanwijzingen om een daadwerkelijke psychische aandoening of stoornis aan te nemen bij appellant.

Voor wat betreft de door appellant gestelde fysieke beperkingen (als gevolg van de pijnklachten van de lage rug en benen) heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eveneens toegelicht dat en waarom aan de rapporten van de Slowaakse neuroloog minder waarde kan worden toegekend dan aan de bevindingen van neuroloog Brans. In dat verband wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep er onder meer op dat niet navolgbaar is dat in geen van de rapporten van de Slowaakse neuroloog de klachten van het rechterbeen specifiek worden gerapporteerd, terwijl toch een herniaoperatie wordt geadviseerd. Dit zeker nu de klachten zich in de loop der tijd van zijn linkerbeen naar zijn rechterbeen hebben ontwikkeld. Ook is niet te volgen dat in geen van de rapporten van de Slowaakse neuroloog fysiotherapeutische behandeling wordt geadviseerd, terwijl dit volgens de richtlijnen voor een lage rughernia juist standaard wordt geadviseerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er verder op dat niet plausibel is dat de Slowaakse neuroloog stelt dat appellant na de operatie minstens zes maanden moet revalideren, terwijl in de wetenschappelijke literatuur wordt uitgegaan van een gemiddelde duur van tweeënhalve maand voordat men na een dergelijke operatie terug aan het werk is. Gelet daarop maakt de door appellant overgelegde informatie van de Slowaakse neuroloog volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat er meer fysieke beperkingen moeten worden aangenomen dan in de FML reeds is gedaan.

De rechtbank heeft de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven toelichting en de daarop gebaseerde conclusies gevolgd. Appellant heeft daar niets tegenin gebracht dat aanleiding geeft om aan deze conclusies te twijfelen. Daar komt nog bij dat in september 2023 tussen partijen discussie is ontstaan over de authenticiteit van ten minste een aantal van de door appellant overgelegde medische documenten van Slowaakse behandelaars. Naar aanleiding van vragen gesteld door de centrale sociale verzekeringsmaatschappij in Slowakije geven de desbetreffende behandelaars – blijkens een beëdigde vertaling – aan dat zij appellant op de op de aangegeven data niet hebben onderzocht, dat een stempel is vervalst, dat medische bevindingen niet door hen zijn opgesteld en dat appellant geen patiënt is van de desbetreffende behandelaar. Appellant heeft weliswaar aangegeven dat hij de desbetreffende stukken zelf heeft vertaald door middel van Google Translate, maar dit verklaart niet waarom door de desbetreffende behandelaars wordt aangegeven dat appellant geen patiënt van hen is of dat zij appellant op de aangegeven data niet hebben onderzocht. Wat daar ook van zij, de rechtbank heeft ook los daarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen volgen in zijn conclusie dat in dit geval meer gewicht toekomt aan de informatie van de Nederlandse deskundigen die appellant hebben onderzocht.

De rechtbank heeft appellant niet in het standpunt gevolgd dat het Uwv in bezwaar ten onrechte geen onafhankelijk psychiatrisch onderzoek heeft laten plaatsvinden. Er is een expertise uitgevoerd door psychiater Lam, die zijn bevindingen heeft neergelegd in het rapport van 31 januari 2022. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat de psychiater vooringenomen of partijdig was.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de omstandigheid dat in bezwaar een ander besluit is genomen, niet maakt dat het Uwv opnieuw een psychiatrische expertise zou moeten laten uitvoeren, zoals appellant heeft gesteld. De aangepaste belastbaarheid waar in het bestreden besluit vanuit wordt gegaan is immers juist gebaseerd op de psychiatrische expertise van 31 januari 2022.

In zijn rapporten van 3 april 2024 en 15 mei 2024 heeft de stafverzekeringsarts bezwaar en beroep uitgelegd dat en waarom de in beroep overgelegde aanvullende medische stukken – een aantal stukken van Slowaakse behandelaars uit 2024 en brieven van psychiaters Motovsky en Niemcova – de medische beoordeling niet anders maken. De stafverzekeringsarts heeft er in dat verband op gewezen dat de documenten uit de periode 2010-2017 zien op een periode ruim voor de data in geding. Ook de Slowaakse documenten zien niet op de medische situatie van appellant op de data in geding. Ook komt de inhoud van de Slowaakse documenten niet overeen met de onderzoeksbevindingen zoals deze volgen uit het expertiserapport van psychiater Lam van 31 januari 2022 en uit de verschillende verzekeringskundige onderzoeken rondom de data in geding, waarvan al is aangegeven dat daaraan meer gewicht wordt toegekend dan aan de medische informatie vanuit Slowakije. De rechtbank heeft deze toelichting gevolgd.

De rechtbank heeft overwogen dat volgens de verzekeringsgeneeskundige standaard Duurbelasting in Arbeid een urenbeperking pas aan de orde is bij een stoornis in de energiehuishouding, op preventieve gronden of bij verminderde beschikbaarheid. In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de stafverzekeringsarts is vermeld dat appellant op de data in geding gemiddeld één à twee keer per maand een evaluatiegesprek had met de psychiater. Volgens de standaard is er in deze lage frequentie geen indicatie voor het aannemen van een urenbeperking op basis van een verminderde beschikbaarheid. Ook is er geen indicatie op basis van energetische of preventieve gronden. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de stafverzekeringsarts ten aanzien van de urenbeperking onjuist is. De rechtbank heeft de toelichting gevolgd en geen aanleiding gezien voor het oordeel dat voor appellant een urenbeperking aangenomen dient te worden.

De rechtbank heeft het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen, afgewezen.

De rechtbank heeft gelet op de juistheid van de beperkingen in de FML van 22 mei 2023, geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het Uwv onvoldoende medisch onderzoek heeft verricht, dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld. De geselecteerde functies zijn daardoor niet passend. Appellant verzoekt om inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij medische informatie overgelegd.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van 26 september 2025 is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling. De Raad heeft daarom psychiater Kan als deskundige benoemd.

De deskundige heeft op 17 maart 2026 een rapport uitgebracht en op basis van zijn bevindingen bij onderzoek aangegeven dat op de data in geding, 7 juli 2022 en 24 mei 2023, geen psychiatrische stoornis vastgesteld kan worden. Gezien het ontbreken van een psychiatrische diagnose kan de deskundige bij betrokkene vanuit psychiatrisch vakgebied geen beperkingen verklaren en niet meer beperkingen nodig geacht dan de verzekeringsarts heeft vastgesteld in de FML van 22 mei 2023. De deskundige heeft het aannemelijk geacht dat ten aanzien van de validiteit van de onderzoeksgegevens en het beloop van de ziektegeschiedenis sprake is van simuleren. Een nader onderzoek door een andere deskundige is door hem niet gewenst geacht. De deskundige heeft op 26 april 2026 en 11 juni 2026 aanvullend gerapporteerd. De deskundige heeft in de overgelegde informatie van de behandelende Slowaakse psychiaters geen aanleiding gezien om tot een andersluidend medisch oordeel te komen.

Appellant heeft te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de rapporten van de deskundige. Appellant heeft aangevoerd dat de deskundige niet onafhankelijk en vooringenomen was, en een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Hij heeft verzuimd contact op te nemen met de Slowaakse behandelaars en is blindelings van valse beschuldigingen van het Uwv uitgegaan. Ten onrechte heeft het Uwv gezegd dat er valsheid in geschrifte is en de desbetreffende stukken waarin dit is gesteld hadden geen onderdeel mogen uitmaken van het dossier.

Het Uwv heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de rapporten van de deskundige.

Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door Raad ingeschakelde deskundige psychiater Kan van 17 maart 2026 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie verricht, appellant via videobellen gezien en heeft alle medische gegevens van de behandelaars van appellant betrokken in zijn oordeelsvorming. Dit geldt ook voor de stukken van de behandelaars in Slowakije waarvan het Uwv de authenticiteit in twijfel heeft getrokken. De deskundige heeft zijn eigen oordeel gevormd over de medische informatie in deze stukken. Dat het Uwv vraagtekens heeft geplaatst bij de authenticiteit van enkele stukken en dat de deskundige dit heeft onderschreven maakt niet dat de deskundige vooringenomen of niet onafhankelijk is. Uit dit rapport en de aanvullende rapporten van de deskundige is niet gebleken van vooringenomenheid over de medische gezondheidstoestand van appellant.

De deskundige heeft in het rapport uitgebreid een groot aantal feitelijke inconsistenties en onjuistheden in de anamnestische gegevens uiteengezet. Ook hij kent net als het Uwv minder waarde toe aan de psychiatrische gegevens uit Slowakije omdat de consultverslagen van deze psychiaters kort zijn en alleen klachten en diagnoses vermelden. De deskundige heeft geoordeeld dat deze verslagen vrijwel geen inzicht bieden in de diagnostische en therapeutische overwegingen van de betreffende psychiaters. De deskundige heeft voorts de twijfels over de documenten uit Slowakije onderzocht en terecht vermeld dat is aangetoond dat een aantal documenten uit Slowakije zijn vervalst. De deskundige heeft vervolgens op grond van de anamnese en de dossiergegevens differentiaal diagnostisch de volgende psychiatrische diagnoses overwogen: paniekstoornis met agorafobie, sociale angststoornis, vermijdende persoonlijkheidsstoornis, depressieve stoornis, psychotische kenmerken/psychotische stoornis en borderline persoonlijkheidsstoornis. De deskundige komt op basis van zijn eigen onderzoek tot de conclusie dat hij geen psychiatrische stoornis kan vaststellen waaraan appellant op een plausibele wijze voldoet. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten om de deskundige niet te volgen. Er was voldoende (ook recente) medische informatie van de behandelaars in Nederland en Slowakije aanwezig. Anders dan appellant was de deskundige niet gehouden om aanvullende medische informatie op te vragen. Bovendien heeft de deskundige alle informatie, ook die is overgelegd na het onderzoek, meegewogen. In de aanvullende rapportages heeft de deskundige afdoende toegelicht waarom daarin geen aanleiding wordt gezien voor een ander standpunt. Dat appellant in het buitenland wel arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangt, maakt evenmin dat de deskundige niet gevolgd kan worden. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML van 22 mei 2023 neergelegde belastbaarheid van appellant.

Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIAuitkering per 1 maart 2024 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) G.T. Hunsel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand