23/2372 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2023, 22/3716 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.R. Gorseling, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 april 2024. Appellant heeft via videobellen deelgenomen, bijgestaan door mr. Gorseling. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 augustus 2024. Appellant is verschenen en zich laten vertegenwoordigen door mr. Gorseling. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. Ten Brinke.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend in verband met het instellen van een onderzoek.
De Raad heeft verzekeringsarts drs. T.J. Cheng en psychiater dr. J. Bouwens als deskundigen benoemd, die op 27 respectievelijk 28 augustus 2025 hebben gerapporteerd.
Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 december 2025 heeft het Uwv appellant per 24 januari 2022 alsnog ongeschikt geacht in het kader van de Ziektewet.
Appellant heeft daarop het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 december 2025 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Proceskosten
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op, € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 23 april 2024, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 28 augustus 2024 en 0,5 punt voor een reactie op het rapport van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-). Totaal € 4.670,-.
De door appellant gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van respectievelijk € 4,64 en € 45,62 op basis van openbaar vervoer tweede klasse.
De kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoeken van de deskundigen psychiater Bouwens en verzekeringsarts Cheng worden door de Raad vergoed.
Het door het Uwv te betalen bedrag aan proceskostenvergoeding bedraagt hiermee in totaal € 4.720,26.
Griffierecht
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) M.G.J. van Eck