SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2025, 24/7743 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht geweigerd heeft appellant per 9 april 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Simons, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Simons. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als facilitair medewerker voor 35 uur per week. Op 15 januari 2018 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Het Uwv heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 11 januari 2021 afgewezen. Appellant heeft zich vanuit een situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving met ingang van 12 april 2022 opnieuw ziekgemeld. In verband met een aanvraag om een WIA-uitkering heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 februari 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 19 april 2024 geweigerd appellant met ingang van 9 april 2024 (datum in geding) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij 28,25% en daarmee minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 20 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Uit het dossier blijkt dat de verzekeringsarts appellant heeft gezien en gesproken tijdens een fysiek spreekuur. Dat appellant zich niet hoefde te ontkleden tijdens het spreekuur maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. De rapporten van de verzekeringsartsen bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies vloeien logischerwijs voort uit de bevindingen. De stelling van appellant dat de rapporten onjuiste informatie bevatten wordt niet gevolgd.
Ook inhoudelijk ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het Uwv de beperkingen van appellant onjuist heeft vastgesteld. In de FML zijn beperkingen opgenomen die aansluiten bij de medische klachten van appellant. De verzekeringsartsen hebben de medische informatie die appellant heeft overgelegd bij de beoordeling betrokken. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd die reden geeft om aan de conclusies van het Uwv te twijfelen. De problemen van de heup en de röntgenfoto’s van de voet dateren van geruime tijd na de datum in geding en maken de beoordeling niet anders. De stelling van appellant dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten wordt niet gevolgd, omdat appellant geen informatie heeft overgelegd die verband houdt met psychische klachten.
Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank juist geacht. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 mei 2025 is het maatmaninkomen gecorrigeerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25,65%. Daarmee blijft appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij blijft van mening dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat hij niet lichamelijk is onderzocht. Bovendien is volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen. Appellant acht zich niet in staat de voorgehouden functies te vervullen, omdat deze langdurig zitten vergen. Door zijn beenaandoening is dit voor hem niet mogelijk.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering per 9 april 2024 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
De gronden in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden die appellant eerder in de procedure heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de gronden besproken en is tot de conclusie gekomen dat deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
De Raad volgt, evenals de rechtbank, appellant niet in het standpunt dat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Vastgesteld wordt dat in het rapport van de verzekeringsarts van 20 februari 2024 is vermeld dat appellant het spreekuur heeft bezocht op die datum. Verder zijn in dat rapport, naast de informatie van behandelaars en de bevindingen van eerdere verzekeringsartsen, de bevindingen uit het op die datum uitgevoerde lichamelijk onderzoek beschreven. Er is geen aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat het rapport op dat punt geen juiste weergave zou vormen van het verrichte onderzoek. Dat betekent dat de verzekeringsarts een goed beeld heeft gehad van de medische problematiek van appellant en op basis daarvan de beoordeling heeft uitgevoerd. Er bestaat daarom geen aanleiding het onderzoek onzorgvuldig te achten.
Appellant heeft zijn stelling dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen en dat sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, niet met objectief medische gegevens onderbouwd. De grond van appellant dat per datum in geding sprake was van psychische klachten, die het Uwv ten onrechte niet heeft meegenomen, wordt niet ondersteund door medische informatie. Verder heeft appellant ter zitting bevestigd dat hij zich niet onder behandeling heeft gesteld voor zijn psychische klachten. Wat betreft de fysieke problemen wordt overwogen dat de lichamelijke aandoeningen van appellant niet in geschil zijn. Appellant heeft zijn stelling dat hij in verband als gevolg van zijn fysieke klachten verdergaand beperkt moet worden geacht dan het Uwv heeft aangenomen ook in hoger beroep niet met objectief medische gegevens onderbouwd.
De grond van appellant dat de voorgehouden functies medisch niet passend zijn, omdat deze langdurig zitten vergen, slaagt niet. Uit de CBBS-gegevens blijkt dat in de geduide functies slechts gedurende maximaal 30 minuten aaneengesloten hoeft te worden gezeten, zodat van een langdurig zitten geen sprake is. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de WIA-uitkering per 9 april 2024 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.