SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 februari 2025, 21/3271 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om schadevergoeding
Partijen:
De erven van [betrokkene] (betrokkene), in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats]
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 januari 2026
In deze zaak gaat het om de vraag of de Svb het AOW-pensioen van betrokkene terecht heeft herberekend en herzien op grond van de aftoppingsregels in artikel 15 van het Verdrag inzake sociale zekerheid met Nieuw-Zeeland. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan dit verdrag en dat de aftopping correct is vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.E.J. Dohmen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant is op 17 september 2025 overleden. De erven hebben laten weten de procedure voort te willen zetten.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Van de erven zijn de echtgenote en de dochter van appellant verschenen, bijgestaan door mr. K.E.J. Dohmen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1937. Vanaf november 1980 woonde betrokkene met zijn echtgenote en kinderen in Nieuw-Zeeland. In 2008 zijn betrokkene en zijn echtgenote terug naar Nederland gekomen. Betrokkene ontving vanaf juni 2002 een AOWpensioen met een korting van 50% van het maximale AOW-pensioen in verband met niet-verzekerde tijdvakken. Aan betrokkene zijn later ook de zogenoemde overgangsvoordelen toegekend. Dit zijn fictieve verzekeringstijdvakken in de periode tussen zijn vijftiende verjaardag en 1 januari 1957 (de inwerkingtreding van de AOW). Het pensioen inclusief overgangsvoordelen bedraagt 58% van het maximale AOW-pensioen. Betrokkene ontving ook een ouderdomspensioen uit Nieuw-Zeeland, de zogenoemde Superannuation.
Op grond van artikel 15, vierde en zesde lid, van het Verdrag met Nieuw-Zeeland inzake sociale zekerheid is het AOW-pensioen van betrokkene met ingang van mei 2010 verlaagd omdat de som van het AOW-pensioen en het Nieuw-Zeelandse pensioen van betrokkene hoger is dan het maximale AOW-pensioen (de aftopping).
Ieder jaar verricht de Svb ambtshalve een herberekening in de maand mei. Hierbij gaat de Svb uit van de wisselkoers die de Nieuw-Zeelandse pensioeninstelling in mei van het betreffende jaar gebruikt voor de omrekening van het Nieuw-Zeelandse pensioen in euro’s.
Met een besluit van 11 juni 2021 heeft de Svb aan betrokkene meegedeeld dat hij op basis van de herberekening met ingang van mei 2021 maandelijks een AOW-pensioen gaat ontvangen van € 417,32 bruto. Als gevolg van de herberekening heeft betrokkene over de maand mei € 0,09 bruto te veel AOW-pensioen gekregen. Dit bedrag hoeft hij niet terug te betalen, omdat het minder is dan € 25,-.
Het bezwaar van betrokkene is met een besluit van 28 oktober 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard voor zover het de herziening van zijn AOW-pensioen betreft. Appellant ontving een Nieuw-Zeelands pensioen van € 613,34 en een AOW-pensioen van (58% van € 857,63) € 497,42, totaal € 1.110,77. Dit is € 253,14 hoger dan het maximale AOW-pensioen van € 857,63. Het af te toppen bedrag is € 253,14, maar alleen het deel van het AOW-pensioen dat is gebaseerd op de overgangsvoordelen komt voor de aftopping in aanmerking. De Svb heeft uitgerekend dat dit neerkomt op een bedrag van € 80,07, zodat appellant vanaf mei 2021 recht heeft op een AOW-pensioen van € 417,32. De overige bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit daar niet over gaat.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank stelt vast dat de aftopping op grond van artikel 15, vierde lid, van het Verdrag heeft plaatsgevonden en dat dit artikellid rechtstreekse werking heeft. De Svb is verplicht dit artikellid toe te passen als aan de voorwaarden die daarin staan wordt voldaan. En dat is hier het geval. De rechtbank heeft verder overwogen dat zij geen ruimte heeft om een oordeel te geven over de inhoud van het Verdrag tussen Nederland en Nieuw-Zeeland. Volgens de rechtbank gaat het bestreden besluit uitsluitend over de jaarlijkse wijziging van het aftoppingsbedrag, rekening houdend met de beurskoers van de Nieuw-Zeelandse dollar. De rechtbank heeft vastgesteld dat de berekening van het aftoppingsbedrag van € 80,07 correct is. De bezwaren van betrokkene die niet direct betrekking hebben op het bestreden besluit heeft de Svb terecht nietontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen, omdat van een onrechtmatig besluit geen sprake is.
Het standpunt van betrokkene
Betrokkene is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens betrokkene is de aftopping het gevolg van een eerder, fundamenteler onrecht dat hem is aangedaan ten gevolge van de in 1990 afgesloten Overeenkomst met Nieuw-Zeeland en nadien het Verdrag uit 2003. Toen betrokkene in 1980 met zijn gezin naar Nieuw-Zeeland verhuisde was hem toegezegd dat hij zijn opgebouwde AOW-pensioen uitgekeerd zou krijgen als hij pensioengerechtigd werd. Het AOW-pensioen werd echter op grond van het Verdrag door de Svb uitbetaald aan Nieuw-Zeeland en op grond van Nieuw-Zeelandse wetgeving in mindering gebracht op zijn in Nieuw-Zeeland ontvangen Superannuation. Dit terwijl hij altijd premie en belasting heeft betaald in de voor de AOW opgebouwde verzekerde periode. Zijn AOW-pensioen moet daarom worden aangemerkt als een privaat pensioen en niet als een staatspensioen. Terug in Nederland werd zijn AOW-pensioen op grond van het Verdrag afgetopt. Volgens betrokkene zijn hierdoor eigendomsrechten ontnomen. De rechtbank heeft artikel 6 van het EVRM geschonden door zich te beperken tot de beoordeling van het bestreden besluit en is ten onrechte niet op alle argumenten van betrokkene ingegaan. De besluitvorming is onevenredig en er is ten onrechte geen schadevergoeding toegekend.
Het standpunt van de Svb
De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens de Svb is het Verdrag op juiste wijze toegepast. Benadrukt is nog dat de aftopping alleen betrekking heeft op de fictieve verzekerde tijdvakken van vóór 1957 waarvoor geen premie verschuldigd is geweest en dat betrokkene ondanks de aftopping in totaal meer aan ouderdomspensioen en Superannuation overhoudt dan het maximale AOW-pensioen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening van het AOW-pensioen in stand heeft gelaten aan de hand van wat betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De omvang van het geding
Evenals de rechtbank heeft gedaan, heeft de Raad op de zitting uitgelegd dat hij slechts een oordeel kan geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit betekent dat de Raad zal beoordelen of de aftopping en de herberekening daarvan met ingang van mei 2021 op juiste wijze zijn berekend.
Dit betekent ook dat de gronden die betrekking hebben op de toezegging die zou zijn gedaan over het behoud van het AOW-pensioen in Nieuw-Zeeland en de mindering van dat AOW-pensioen op de Superannuation in de periode 2002-2008 in dit geding niet aan de orde kunnen komen. Het betoog van appellanten dat door niet op deze gronden in te gaan het door artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces wordt geschonden, gaat alleen al niet op omdat deze gronden buiten de omvang van dit geding vallen. Ter voorlichting van appellanten merkt de Raad nog wel op dat het opgebouwde (wettelijke) AOW-pensioen, in tegenstelling tot wat appellanten betogen, vanaf 3 juni 2002 wel door de Svb is uitbetaald. Op grond van het Administratief Akkoord bij de Overeenkomst en later het Verdrag moest echter worden uitbetaald aan het NieuwZeelandse orgaan, waardoor de op Nieuw-Zeelandse wetgeving gebaseerde directe verrekening met de Superannuation kon plaatsvinden. Deze wijze van uitbetaling levert geen inbreuk op een eigendomsrecht op. Betrokkene heeft immers in Nieuw-Zeeland het opgebouwde AOW-pensioen volledig ontvangen. Het was de Superannuation die door het Nieuw-Zeelandse orgaan op een lager bedrag werd vastgesteld.
Is de aftopping op een juiste wijze berekend?
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de Svb artikel 15, vierde en vijfde lid, van het Verdrag terecht en op juiste wijze heeft toegepast. Betrokkene ontving de Superannuation en het AOW-pensioen, welke bedragen samen hoger waren dan het maximale AOW-pensioen. Voor zover dit AOW-pensioen mede was opgebouwd uit fictieve tijdvakken van verzekering vóór 1957 mocht het AOW-pensioen worden verminderd met het bedrag waarmee het maximale AOW-pensioen wordt overschreden. Ook de jaarlijkse herberekening die nu feitelijk voorligt, is op juiste wijze uitgevoerd. De berekening in het bestreden besluit van het aftoppingsbedrag van € 80,07 is juist en ook als zodanig niet bestreden.
Is door de aftopping een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van betrokkene?
Aan betrokkene is op 3 juni 2002 een AOW-pensioen toegekend op grond van zijn verzekerde tijdvakken. Pas toen hij weer in Nederland woonde zijn daar ook de overgangsvoordelen als fictieve verzekeringstijdvakken bij gekomen. Dit pensioen met overgangsvoordelen kan worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dit eigendom omvat de aanspraak op AOW-pensioen inclusief alle wettelijke en verdragsrechtelijke voorwaarden. Dit betekent dat het eigendomsrecht van betrokkene het vooruitzicht omvatte op aftopping van het AOWpensioen bij remigratie naar Nederland, zoals dat was bepaald in artikel 15 van eerst de Overeenkomst en later het Verdrag. Betrokkene kon dan ook niet de gerechtvaardigde verwachting koesteren dat hij het volledige AOW-bedrag zonder aftopping in Nederland zou ontvangen. Daar komt bij dat aftopping alleen plaats vindt over het pensioengedeelte dat gebaseerd is op de overgangsvoordelen waarvoor geen premie is betaald. De aftopping en herberekening zoals die bij het bestreden besluit heeft plaatsgevonden kan dan ook niet worden aangemerkt als een (ongerechtvaardigde) inbreuk op een bestaand eigendomsrecht.
Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 15, vierde en vijfde lid, van het Verdrag. Het staat de rechter op de voet van artikel 120 van de Grondwet niet vrij om een verdragsbepaling te toetsen aan zijn grondwettigheid of aan algemene rechtsbeginselen. Evenmin staat het de rechter vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van een verdrag te toetsen. Voor een belangenafweging is dan ook geen plaats.
Heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen?
Het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank terecht afgewezen omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Om dezelfde reden wijst ook de Raad het in hoger beroep gedane verzoek om schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat herziening van het AOW-pensioen door de herberekening van de aftopping in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen de erven geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) M.S. van Veller
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 15 van de Overeenkomst (geldend vanaf 1 februari 1992)
(…)
4. Wanneer de som van het bedrag van de Nederlandse ouderdomsuitkering overeenkomstig deze Overeenkomst of overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet en het bedrag van het Nieuw-Zeelandse gewaarborgde ouderdomspensioen of veteranenpensioen krachtens deze Overeenkomst of de Nieuw-Zeelandse wetgeving voor een persoon die in Nederland woont, hoger is dan het maximumbedrag overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, past het Nederlandse orgaan zijn uitkering aan met een bedrag dat gelijk is aan het surplus.
5. De in het vierde lid bedoelde vermindering heeft geen betrekking op het bedrag dat is gebaseerd op de verzekeringstijdvakken na 1 januari 1957 overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet.
Artikel 15 van het Verdrag (geldend vanaf 1 november 2003)
(…)
4. Wanneer de som van het bedrag van de Nederlandse ouderdomsuitkering overeenkomstig dit Verdrag of overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, afgezien van de inkomensafhankelijke toeslag en de vakantie-uitkering als omschreven in artikel 8, eerste lid, respectievelijk artikel 28 van die wet, en het bedrag van het Nieuw-Zeelandse pensioen of veteranenpensioen krachtens dit Verdrag of de Nieuw-Zeelandse wetgeving voor een persoon die in Nederland woont, hoger is dan het maximumbedrag overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, afgezien van de inkomensafhankelijke toeslag en de vakantie-uitkering als omschreven in artikel 8, eerste lid, respectievelijk artikel 28 van die wet, past het Nederlandse orgaan zijn uitkering aan met een bedrag dat gelijk is aan het surplus.
5. Wijzigingen in de wisselkoers zijn niet van invloed op het in overeenstemming met het voorgaande lid berekende bedrag, mits ten minste één maal per jaar een omrekening plaats vindt, met gebruikmaking van de wisselkoerspariteit zoals die wordt geadviseerd door de Nederlandsche Bank NV op de dag van betaling van de Nieuw-Zeelandse uitkering voor de maand waarin de herberekening plaatsvindt.
6. De in het vierde lid bedoelde vermindering heeft geen invloed op het bedrag dat is gebaseerd op de verzekeringstijdvakken na 1 januari 1957 overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet.
(…)
Artikel 55 AOW
1. Degene, die vóór het in werking treden van artikel 6 de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, en die – al dan niet onafgebroken – gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft gewoond, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, gedurende het tijdvak, gelegen tussen de voleindiging van zijn 15de levensjaar en het in werking treden van artikel 6, geacht verzekerd te zijn geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt, uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel 8 met toepassing van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, de jongere echtgenoot van de pensioengerechtigde geacht het 59ste levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als de pensioengerechtigde.
(…)