25/451 WIA, 25/1137 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2025, 23/6671 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft – ter uitvoering van de aangevallen uitspraak – op 22 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft te kennen gegeven dat zij zich niet kan verenigen met de gewijzigde beslissing op bezwaar en heeft een rapport van verzekeringsarts-medisch adviseur M.J. Gerritze van 26 september 2025 ingestuurd.
Het Uwv heeft op 17 november 2025 opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep en de kosten voor het verkrijgen van advies van de door appellante ingeschakelde deskundige.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Daar heeft appellante op gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Partijen hebben de Raad laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 17 november 2025 heeft het Uwv appellante per 6 maart 2023 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Omdat het Uwv hiermee volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, heeft appellante het hoger beroep ingetrokken.
Kosten van een door een derde verleende rechtsbijstand
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.401,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor de reactie op de gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 april 2025, met een waarde van € 934,- per punt).
Kosten van deskundigen
Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Besluit tarieven strafzaken 2003 (Bts) wordt uitgegaan van een uurtarief van € 162,63 in 2025. Op grond van artikel 15 Bts wordt dit bedrag verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten van € 1.739,38 (€ 1.437,50 vermeerderd met 21% omzetbelasting) van het op haar verzoek in hoger beroep uitgebrachte rapport van de deskundige verzekeringsarts Gerritze van 26 september 2025. Het Uwv heeft laten weten zich daarin niet te kunnen vinden omdat de factuur van Gerritze van 26 september 2025 onvoldoende gespecificeerd zou zijn. Appellante heeft toegelicht dat uitgaande van het uurtarief, sprake is van een tijdsbesteding van 10 uur door de deskundige. De Raad acht gelet op deze toelichting de in rekening gebrachte kosten niet onredelijk.
Gelet hierop komt het verzoek van appellante voor vergoeding voor het inschakelen van een deskundige van € 1.739,38 (inclusief 21% omzetbelasting) voor toewijzing in aanmerking.
Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 1.401,- + € 1.739,38 = € 3.140,38.
Griffierecht
Het Uwv dient het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) M.G.J. van Eck