SAMENVATTING
25/1796 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 juli 2025, 23/9815 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 13 februari 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.E.M. Edelmann, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Edelmann. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als allround medewerker voor 21,84 uur per week. Op 15 februari 2021 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 februari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 23 februari 2023 geweigerd appellante met ingang van 23 februari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 14 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Verder heeft de rechtbank een veroordeling in proceskosten en vergoeding van griffierecht uitgesproken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben kennisgenomen van het dossier van appellante met de medische informatie die zich daarin bevindt en de verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk onderzocht. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, doet niet af aan de zorgvuldigheid van het onderzoek. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Raad van 4 mei 2022 waaruit volgt dat het feit dat geen lichamelijk onderzoek is verricht, niet betekent dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. Het is aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep om te beoordelen of lichamelijk onderzoek plaatsvindt. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de klachten van appellante, waaronder schouderklachten. Bij het opstellen van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. De informatie die appellante in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 januari 2024 uiteengezet dat de informatie van anesthesioloog Frietman van 7 augustus 2022 en orthopedisch chirurg M.P.J. van den Borne van 25 juli 2022 en 5 september 2022 geen reden geven om tot een ander standpunt te komen. De rechtbank twijfelt niet aan deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank ziet geen medische onderbouwing voor het standpunt dat zij meer beperkt zou moeten zijn dan in de FML is aangegeven. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank het Uwv gevraagd een nadere onderbouwing te geven over de geschiktheid van de functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 20 januari 2025 vastgesteld dat niet alle geduide functies geschikt zijn voor appellante en nieuwe functies bijgeduid, waardoor de schatting gebaseerd wordt op de functies secretarieel medewerker (SBC-code 315030), medewerker bibliotheek (SBCcode 315131) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). De mate van arbeidsongeschiktheid is op grond daarvan bepaald op 33,01%, hetgeen de rechtbank heeft gevolgd.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld in de FML. Er zouden vooral verdergaande beperkingen opgenomen moeten worden voor reiken en werken boven schouderhoogte. Deze grond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De beperkingen zoals die in de FML zijn opgenomen, zijn door de rechtbank juist geacht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt verder dat appellante in hoger beroep geen nieuwe medische gronden of inzichten heeft gegeven op grond waarvan tot een ander oordeel gekomen wordt.
Arbeidskundige beoordeling
Appellante heeft aangevoerd dat de door de arbeidsdeskundige in beroep bijgeduide functies niet voldoende actueel zijn omdat deze niet ouder mogen zijn dan 24 maanden. Deze grond slaagt niet. Nog daargelaten dat de datum in geding 13 februari 2023 is, en niet de datum waarop er functies zijn bijgeduid (21 januari 2025), is de geldigheidsduur van de functies, vanwege problemen die zijn ontstaan door COVID-19, verlengd naar 36 maanden. Dit betekent dat de functies op de datum in geding voldoende actueel waren.
Appellante heeft verder aangevoerd dat de functies te zwaar voor haar zijn. In alle functies moet te veel gereikt worden. In de functie secretarieel medewerker (SBCcode 315030) is het tillen en dragen ogenschijnlijk niet belastend, maar de gebruikte handdoeken zijn groot en er wordt vaker gereikt. Het gaat verder over de combinatie van werken boven schouderhoogte, reiken, tillen en dragen. Het reguliere receptiewerk heeft appellante in het verleden niet kunnen volhouden door het veelvuldig reiken wat inherent is aan bureauwerk. De functie medewerker bibliotheek (SBC-code 315131) is niet passend want er is een forse belasting van de schouders, niet alleen met het stapels boeken pakken en verrijden van volle karren, maar ook het reiken van maximaal 260 keer per uur, zijnde vier tot vijf keer per minuut. Met name de combinatie van alle aspecten die ieder apart wel zouden kunnen worden verricht, zorgt ervoor dat deze functie niet geschikt is. In de functie administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) moet ook vaak worden gereikt: zeventig keer per SBC-code belastend.
De Raad oordeelt dat de arbeidskundige gronden niet slagen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 januari 2025 uiteengezet waarom de functies passend zijn voor appellante. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende duidelijk is en dat de functies geschikt zijn. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is per functie ingegaan op de mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante en is geconcludeerd dat appellante de functies, met haar beperkingen die zijn weergegeven in de FML, kan verrichten.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) M.J.D. van Haren