SAMENVATTING
25/1781 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 juli 2025, 24/6508 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 31 januari 2023 geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de maatgevende arbeid en de geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 21 uur per week. Op 2 februari 2021 heeft zij zich ziekgemeld met rug en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 augustus 2023. Een arbeidsdeskundige heeft aan de hand van die FML vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 1 september 2023 geweigerd appellante met ingang van 31 januari 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij beslissing op bezwaar van 18 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Appellante heeft beroep bij de rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Tevens heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van het bestreden besluit nietontvankelijk verklaard en heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen psychisch en fysiek onderzoek door de primaire verzekeringsarts op het fysieke spreekuur van 21 juli 2022, het bezwaarschrift, het gestelde ter hoorzitting van 13 september 2024 in aanwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, en ook de in het dossier aanwezige medische informatie.
De rechtbank heeft geen reden gezien het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Wat appellante heeft aangevoerd, legt – zonder af te doen aan de door haar ervaren medische klachten – tegenover het gemotiveerde en inzichtelijke medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan verdergaande beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML. Uit de beroepsgronden volgt niet dat het Uwv een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante per de datum in geding, 31 januari 2023. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in het rapport van 13 september 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat er bij appellante geen sprake is van de situatie dat er geen benutbare mogelijkheden zijn, nu zij niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zodat terecht een FML is opgesteld. Dat er tijdens de Eerstejaars ziektewetbeoordeling een situatie van geen benutbare mogelijkheden is aangenomen, maakt niet dat er tijdens de WIAbeoordeling sprake is van een dergelijke situatie. Het betrof toen een tijdelijke situatie die na drie maanden geëvalueerd moest worden. Daarbij behoort het tot de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts om de belastbaarheid van eiseres in kaart te brengen en beperkingen vast te stellen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 september 2024 gemotiveerd dat er aanleiding is om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML aan te passen in de FML van 13 september 2024. Verder is naar aanleiding van wat appellante heeft benoemd en de beschikbare stukken door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 13 september 2024 en 4 maart 2025 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen objectieve gronden zijn om meer beperkingen aan te nemen dan opgenomen in deze FML.
De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht in het dagelijks functioneren (items 1.1 en 1.2 van de FML) hadden moeten worden aangenomen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de systematiek van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem ten aanzien van het vasthouden/verdelen van aandacht en herinneren alleen beperkingen worden aangenomen als er sprake is van een ernstige psychische stoornis. Hiervan is volgens de verzekeringsarts geen sprake. Daarbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport van 24 maart 2025 heeft geconcludeerd dat de klachten in concentreren en vasthouden van de aandacht niet zodanig zijn dat dit bij onderzoek door de verzekeringsartsen tot afwijkende onderzoeksbevindingen heeft geleid.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen beperking in de FML is opgenomen ten aanzien van zitten, niet maakt dat de rugklachten niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn betrokken in de heroverweging. Uit de rapporten van 13 september 2024 en 24 maart 2025 is afdoende gebleken dat de rugklachten door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn benoemd en meegewogen bij de herbeoordeling. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat appellante haar stelling dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen in de FML niet nader heeft onderbouwd met (nieuwe) medische stukken.
De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In een aanvullend rapport van 24 maart 2025 heeft de verzekeringsarts geoordeeld dat er bij het gebruik van een TENS apparaat geen beperking voor het werken met gevaarlijke machines is. Ook zijn geen andere aanvullende beperkingen aan de orde. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat appellante haar stelling dat met een TENS apparaat niet gewerkt mag worden niet met (medische) stukken onderbouwd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen correct zijn weergegeven in de FML. Uitgaande van de juistheid van die medische beperkingen, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat appellante ten onrechte geschikt is geacht voor de maatgevende arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 13 september 2024 en 23 april 2025 inzichtelijk gemotiveerd dat de maatgevende arbeid geen zwaardere belasting kent dan de belastbaarheid zoals opgesteld in de FML. Niet in geschil is dat er in de maatgevende arbeid rekening werd gehouden met het inspanningsvermogen van appellante. Zo mocht zij op dagen dat zij vond dat zij niet kon werken thuisblijven en op een later moment inhalen. Ook kon zij eerder stoppen met werken en deze uren later inhalen. Het werk bevatte geen fysiek of telefonisch contact met anderen, er was geen werkdruk en er waren geen stresserende aspecten.
Ten overvloede heeft de rechtbank nog overwogen dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 17 september 2024 en 23 april 2025 inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is bepaald op minder dan 35%.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de medische beoordeling onzorgvuldig is verricht en dat haar beperkingen zijn onderschat. Voor wat betreft de psychische belastbaarheid is geen beperking opgenomen ten aanzien van concentratie. Voor wat betreft de fysieke belastbaarheid zijn de beperkingen in de FML onderschat op de items: zitten, staan en lopen. Appellante heeft aangevoerd dat het gebruik van het TENS apparaat onvoldoende is meegenomen en aanleiding had moeten geven voor een beperking op persoonlijk risico. Appellante is van mening dat de maatgevende arbeid en geselecteerde functies ongeschikt zijn voor haar. Appellante heeft verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 februari 2026, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Wat appellante heeft aangevoerd over haar psychische en fysieke beperkingen, slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 februari 2026 toegelicht dat er bij appellante geen sprake is van een ernstige psychische stoornis en dat zij daarvoor ook geen behandeling volgt en er geen aanleiding is om meer psychische beperkingen op te nemen in de FML. Voor wat betreft het TENS apparaat heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het onderzoek in bezwaar appellante hierover bevraagd, het gebruik van dit apparaat in de oordeelsvorming betrokken en geen aanleiding gevonden om een beperking ten aanzien van persoonlijk risico op te nemen. Voor wat betreft de fysieke beperkingen gaat het bij appellante om aspecifieke lage rugklachten waaraan geen pathologie ten grondslag ligt en voor de items: zitten, staan en lopen zijn geen (zwaardere) beperkingen aangenomen in de FML. Dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de Raad. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt. Omdat er geen twijfel is aan de juistheid van de medische belastbaarheid, wordt het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige afgewezen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellante een WIAuitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.