ECLI:NL:CRVB:2026:1132

ECLI:NL:CRVB:2026:1132

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 25/2320 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/2320 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2025, 24/3489 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellante geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellante met ingang van 10 februari 2021 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 4 juli 2018 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen door haar klachten, dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juli 2026. Voor appellante is mr. Hoebba verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.W. de Paus en mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante werkte als verzorgende C voor 24 uur per week toen zij zich op 6 juli 2016 ziekmeldde met klachten aan rug, been en buik. Bij de beoordeling per juni 2018 heeft het Uwv geweigerd appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 4 juli 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

Vanaf 2018 werkte appellante voor twintig uur per week als woonondersteuner. Zij heeft zich op 18 november 2022 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 10 februari 2021. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv op 9 mei 2023 appellante een WIA-uitkering geweigerd per 10 februari 2021 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 mei 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de weigering van een WIA-uitkering per 10 februari 2021 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat er reden is om af te wijken van het primaire oordeel en heeft de FML aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft enige wijzigingen aangebracht in de functies die voor appellante geselecteerd zijn. Dit heeft niet geleid tot een toekenning van een WIAuitkering.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat het gaat om de vraag of de belastbaarheid van appellante per 10 februari 2021 (datum in geding) is afgenomen en dat de aanvraag van appellante is beschouwd als een beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid vanuit dezelfde ziekte/beperking binnen vijf jaar (Amber-beoordeling). Hierom is ook de informatie die behoort bij de WIA-beoordeling uit 2018 relevant. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2024 volgt dat sprake is van uitval door dezelfde ziekteoorzaak (rugklachten) als bij de WIAbeoordeling per 12 juni 2018. Het gaat om vergelijkbare beperkingen op het gebied van fysieke belastingen. Daarnaast werden ook psychische klachten (depressie/angststoornis) en hooikoorts gediagnosticeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat ervan uit dat al langer sprake was van een chronisch pijnsyndroom en wijst erop dat in 2018 in ruime mate rekening was gehouden met beperkingen van de rug en dat er geen reden is om meer beperkingen op te nemen in de FML die betrekking heeft op de datum in geding. In die FML zijn beperkingen aangenomen voor persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen. dynamische handelingen en statische houdingen. Andersoortige klachten van appellante (peesontsteking dan wel kapselontsteking van de schouder) zijn klachten die pas vele jaren na de datum in geding zijn vastgesteld, zodat deze informatie niet relevant is voor deze beoordeling. Hetzelfde geldt voor het medicatieoverzicht. De informatie van de ergotherapeut en fysiotherapeut geven inzicht over hoe appellante haar klachten ervaart, maar dat is niet doorslaggevend. Van belang is dat klachten medisch objectiveerbaar zijn. Ook is voldoende gemotiveerd waarom er geen urenbeperking is opgenomen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 mei 2024 is de rechtbank niet gebleken dat appellante de werkzaamheden die horen bij de door de arbeidsdeskundige in het rapport van 3 mei 2024 geduide functies niet zou kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige heeft met dit rapport inzichtelijk gemaakt dat en op grond waarvan de geduide functies passend zijn.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1, van de Wet-WIA ontstaat het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

Medische beoordeling

Appellante heeft aangevoerd dat haar klachten niet goed zijn ingeschat. Zij heeft meer beperkingen dan in de FML is opgenomen en er is ten onrechte geen urenbeperking opgenomen. Deze gronden slagen niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft ook in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die betrekking hebben op de datum in geding van 10 februari 2021 en waaruit blijkt dat er meer beperkingen opgenomen hadden moeten worden voor de verzekerde klachten. De Raad is ook van oordeel dat de artsen van het Uwv voldoende hebben uitgelegd dat er geen reden is voor een urenbeperking. De urenbeperking die in de FML van 2018 gold, was opgenomen vanwege beperkte beschikbaarheid. Niet gebleken is dat die situatie op de datum in geding nog aan de orde was.

Nu de Raad niet twijfelt aan de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellante om een medisch deskundige te benoemen, afgewezen.

Arbeidskundige beoordeling

Appellante heeft aangevoerd dat de voor de schatting geselecteerde functies niet geschikt zijn voor haar. Deze grond is niet nader onderbouwd en de Raad oordeelt dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) M.J.D. van Haren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand