ECLI:NL:CRVB:2026:114

ECLI:NL:CRVB:2026:114

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 25/821 WAD
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Deze uitspraak is een vervolg op eerdere uitspraken van de Raad over de bevordering van cadetten tot tweede luitenant. Cadetten die de KOO hadden gevolgd werden op een later moment bevorderd tot tweede luitenant dan cadetten die de MWO hadden gevolgd. Dit is bij die eerdere uitspraken in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. Vervolgens heeft de staatssecretaris beleid ontwikkeld (compensatieregeling) om cadetten die de KOO hadden gevolgd te compenseren. Bij deze uitspraak is geoordeeld dat de in dit beleid opgenomen peildatum van 23 oktober 2018 de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

25/821 WAD

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2025, 23/7772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 22 januari 2026

Deze uitspraak is een vervolg op eerdere uitspraken van de Raad over de bevordering van cadetten tot tweede luitenant. Cadetten die de KOO hadden gevolgd werden op een later moment bevorderd tot tweede luitenant dan cadetten die de MWO hadden gevolgd. Dit is bij die eerdere uitspraken in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. Vervolgens heeft de staatssecretaris beleid ontwikkeld (compensatieregeling) om cadetten die de KOO hadden gevolgd te compenseren. In deze zaak is met de uitspraak van heden geoordeeld dat de in dit beleid opgenomen peildatum van 23 oktober 2018 niet onzorgvuldig is gekozen en de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. de Casparis, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft deze zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025, samen met de soortgelijke zaken 25/823 WAD, 25/831 WAD en 25/833 WAD. Namens appellant zijn verschenen mr. De Casparis en mr. G.A.H.M. Steenbakkers, advocaat. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden, P.L.W.M. Stringer en A.S. de Kleijn.

Heden wordt in alle zaken, waaronder deze uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) worden cadetten opgeleid tot officier. Met een afgeronde hoger-beroepsopleiding (HBO) of een wetenschappelijke opleiding (WO) kan de zogenoemde Korte Officiers Opleiding (KOO) van één jaar worden gevolgd. Met een afgeronde middelbare schoolopleiding op het niveau van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs kan de Militair-Wetenschappelijke Opleiding (MWO) van vier jaar worden gevolgd. Een driejarige bachelor is onderdeel van de MWO. De KOO behelst de Algemene Luitenantsopleiding (ALO) 1 en ALO 2, ook wel Beroepsopleiding (BO) 1 tot en met 4 genoemd. Na de KOO respectievelijk de MWO volgt de vaktechnische opleiding (VTO); daarmee wordt de gehele opleiding tot officier voltooid.

Aanvankelijk was er op grond van gevoerd beleid een verschil in het bevorderingsmoment tot tweede luitenant, al naar gelang een cadet de MWO of de KOO had gevolgd. Een cadet die de MWO had gevolgd werd bevorderd tot tweede luitenant na afronding van de ALO 1 en 2, maar vóór de start van de VTO. Een cadet die de KOO had gevolgd werd na afronding van de ALO 1 en 2 bevorderd tot vaandrig/kornet. De bevordering tot tweede luitenant vond vervolgens plaats na afronding van de VTO. Op 27 januari 2022 heeft de Raad uitspraken gedaan in geschillen over de vraag of dit verschil in bevorderingsmoment tot tweede luitenant in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Die vraag heeft de Raad bevestigend beantwoord. De staatssecretaris is in verband daarmee opgedragen om de betrokkenen in die zaken alsnog met ingang van de datum van succesvolle afronding van ALO 1 en 2 (BO onderdelen 1 tot en met 4) van de KOO te bevorderen tot tweede luitenant.

Appellant heeft de KOO gevolgd en heeft deze opleiding op 9 februari 2017 afgerond. Per die datum is hij bevorderd tot vaandrig/kornet. Tegen het desbetreffende besluit heeft hij geen bezwaar gemaakt. In oktober 2017 is hij bevorderd tot tweede luitenant. Op 15 februari 2022 heeft appellant verzocht om met terugwerkende kracht tot 9 februari 2017 te worden bevorderd tot tweede luitenant. De staatssecretaris heeft dat verzoek met een besluit van 4 mei 2022 afgewezen. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

Na overleg met de bonden heeft de staatssecretaris beleid vastgesteld (compensatieregeling) voor gevallen waarin een KOO-cadet geen bezwaar heeft gemaakt tegen het bevorderingsbesluit tot vaandrig/kornet, maar later wel verzoekt om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden bevorderingsbesluit. Dit beleid is weergegeven in een brief van de hoofddirecteur personeel van 24 maart 2023, gericht aan de leden van het Sectoroverleg Defensie. Hierbij zijn vier categorieën onderscheiden:

1. Aan militairen in werkelijke dienst die in de periode van 23 oktober 2018 tot 27 januari 2022 de KOO-opleiding hebben gevolgd, wordt een eenmalige uitkering van € 1.200,- (bruto) uitgekeerd. Dit betreft militairen in werkelijke dienst die in opleiding voor de KOO zaten op of na 23 oktober 2018 en nog niet bevorderd waren tot tweede luitenant vóór 27 januari 2022. In dit verband is vermeld dat Defensie vanaf 23 oktober 2018 bekend was met de voorliggende materie, zijnde het moment dat de (eerste) bezwaarprocedures over dit onderwerp zijn ingesteld.

2. Militairen van de KOO die op 27 januari 2022 de rang van cadet-vaandrig/kornet hadden, worden met terugwerkende kracht bevorderd naar tweede luitenant met ingang van 27 januari 2022.

3. Militairen van de KOO die op 27 januari 2022 de rang van cadet-vaandrig/kornet of tweede luitenant hadden, worden bevorderd naar eerste luitenant op het moment dat twee jaar zijn verstreken na de aanvang van de VTO (het moment dat zij eigenlijk bevorderd hadden moeten worden naar tweede luitenant). Als dit moment ligt voor 27 januari 2022, worden deze militairen bevorderd naar eerste luitenant op 27 januari 2022.

4. Militairen die vanaf 1 januari 2014 de KOO hebben gevolgd en hun VTO zijn aangevangen in de rang van cadet-vaandrig/kornet met salarisnummer 5 of lager, wordt een extra salarisnummer toegekend. Bovendien krijgt deze categorie militairen een lumpsumvergoeding toegekend van € 1.600,- (bruto).

Met een besluit van 6 oktober 2023 heeft de staatssecretaris beslist op het in 1.3 bedoelde bezwaar van appellant. De staatssecretaris is gebleven bij zijn afwijzing van het verzoek van 15 februari 2022. Daaraan is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Evenmin kan worden gezegd dat het niet terugkomen van het eerdere bevorderingsbesluit evident onredelijk is. Tot slot is opgemerkt dat appellant vóór 23 oktober 2018 de KOO heeft afgerond en dat hij de VTO is aangevangen in de rang van vaandrig/kornet met een hoger salarisnummer dan 5. Hij valt daarom niet binnen één van de categorieën van de compensatieregeling.

Uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten.

In de eerste plaats heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Volgens de rechtbank is de afwijzing van het verzoek niet evident onredelijk. Vereist is dat wat appellant daartoe heeft aangevoerd leidt tot het oordeel dat (het gevolg van) het niet herzien van het oorspronkelijke besluit evident onredelijk is. Dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld om het ongerechtvaardigde onderscheid op te heffen, zoals appellant heeft gesteld, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd was hij tot aan de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 in de veronderstelling dat het verschil in bevordering gerechtvaardigd was. De rechtbank Den Haag heeft dit standpunt van de staatssecretaris nog bij uitspraak van 6 november 2020 bekrachtigd. Dat de hoogste bestuursrechter daar anders over zou denken was allerminst evident. De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet hoeven terugkomen op het in rechte vaststaande bevorderingsbesluit.

Over de compensatieregeling heeft de rechtbank overwogen dat daarin is vermeld dat alleen aan de militairen in werkelijke dienst die in de periode tussen de aanvang van de procedures (23 oktober 2018) die uiteindelijk hebben geleid tot de uitspraak van de Raad tot het moment van herstel (27 januari 2022) de KOO-opleiding hebben gevolgd, een eenmalige vergoeding wordt uitgekeerd van € 1.200,- bruto. Vanaf 23 oktober 2018 was de staatssecretaris bekend met de voorliggende materie en had het onderscheid tussen KOO/MWO gelijk getrokken kunnen worden, zoals in de compensatieregeling staat. Het betoog van appellant dat de staatssecretaris al vanaf 2017 bekend was met de materie slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Zoals de staatssecretaris naar voren heeft gebracht betreft 2017 – het jaar waarin de groep marechaussee-officieren bezwaar zouden hebben gemaakt – een kennelijke verschrijving in het primaire besluit. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze uitleg, nu zowel in het bestreden besluit als in de compensatieregeling 23 oktober 2018 als datum is genoemd waarop deze groep bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft niet weersproken dat dit een kennelijke verschrijving was. Nu hij ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris eerder dan 23 oktober 2018 bekend was met de materie, heeft hij appellant op goede gronden uitgesloten van de compensatieregeling.

De standpunten van partijen

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

De Raad beoordeelt of de aangevallen uitspraak juist is aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Niet in geschil is dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Met de rechtbank, en anders dan appellant heeft aangevoerd, is de Raad van oordeel dat het niet terugkomen van het oorspronkelijke bevorderingsbesluit van 2019 niet evident onredelijk is. De Raad kan zich daarbij in grote lijnen vinden in wat de rechtbank in dit verband heeft overwogen. Daaraan voegt de Raad toe dat de omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Van zo’n situatie is hier geen sprake.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris in de compensatieregeling ten onrechte als peildatum 23 oktober 2018 heeft gehanteerd. Daarbij heeft hij in hoger beroep verwezen naar een concept-ministeriële regeling van januari 2017, die in 2020 is ingetrokken. In de toelichting daarop is vermeld dat de huidige verschillen in bevorderingstrajecten tussen de KOO en de MWO ongewenst zijn. Volgens appellant blijkt uit dit stuk dat de staatssecretaris, anders dan in de compensatieregeling staat, al vóór 23 oktober 2018 ermee bekend was dat het onderscheid ongewenst was en is hij daarom ten onrechte niet in aanmerking gebracht voor het bedrag van € 1.200,- behorende bij categorie 1. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. De staatssecretaris heeft gekozen voor de peildatum 23 oktober 2018 omdat op die datum de eerste bezwaarprocedures over dit onderwerp zijn ingesteld. De staatssecretaris heeft de gekozen datum nader toegelicht door erop te wijzen dat de kwestie toen ‘op scherp’ is gesteld en dat vanaf dat moment indringender is nagedacht over de desbetreffende problematiek. De Raad is van oordeel dat de peildatum niet onzorgvuldig is gekozen en dat het beleid hiermee de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Daarbij is mede van belang dat het beleid tot stand is gekomen nadat overleg is gevoerd binnen het sectoroverleg Defensie. Ook is van belang dat het hier gaat om toekenning van een financiële tegemoetkoming die rechtens onverplicht is. Dit oordeel brengt mee dat de laatste beroepsgrond van appellant, die gaat over de berekening van het bedrag van € 1.200,-, niet meer besproken hoeft te worden.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek van 15 februari 2022 in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en R.W.L. Koopmans en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.

(getekend) H. Lagas

(getekend) M. Dafir

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:6

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Algemeen militair ambtenarenreglement

Artikel 24b

1. De militair kan tijdens een initiële opleiding door Onze Minister worden bevorderd wegens het afsluiten van de opleiding of een gedeelte daarvan.

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?