SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2025, 23/7578 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Deze uitspraak is een vervolg op eerdere uitspraken van de Raad over de bevordering van cadetten tot tweede luitenant. Cadetten die de KOO hadden gevolgd werden op een later moment bevorderd tot tweede luitenant dan cadetten die de MWO hadden gevolgd. Dit is bij die eerdere uitspraken in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. Vervolgens heeft de staatssecretaris beleid ontwikkeld (compensatieregeling) om cadetten die de KOO hadden gevolgd te compenseren. In deze zaak is met de uitspraak van heden geoordeeld dat het bedrag behorende bij categorie 1 van de compensatieregeling in zijn algemeenheid toereikend is. Er kunnen echter bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bedrag te laag is. In deze zaak geldt dat appellant aanzienlijk langer dan gemiddeld, namelijk twintig maanden, vaandrig is geweest. De staatssecretaris heeft niet onderzocht of dat reden is om van het bedrag behorende bij categorie 1 af te wijken. Geoordeeld is dat de staatssecretaris dat alsnog zal moeten doen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. de Casparis hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025, samen met de soortgelijke zaken 25/821, 25/823 WAD en 25/831 WAD. Namens appellant zijn verschenen mr. P. de Casparis en mr. G.A.H.M. Steenbakkers, advocaat. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden, P.L.W.M. Stringer en A.S. de Kleijn.
Heden wordt in alle zaken, waaronder deze, uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Op de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) worden cadetten opgeleid tot officier. Met een afgeronde hoger-beroepsopleiding (HBO) of een wetenschappelijke opleiding (WO) kan de zogenoemde Korte Officiers Opleiding (KOO) van één jaar worden gevolgd. Met een afgeronde middelbare schoolopleiding op het niveau van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs kan de Militair-Wetenschappelijke Opleiding (MWO) van vier jaar worden gevolgd. Een driejarige bachelor is onderdeel van de MWO. De KOO behelst de Algemene Luitenantsopleiding (ALO) 1 en ALO 2, ook wel Beroepsopleiding (BO) 1 tot en met 4 genoemd. Na de KOO respectievelijk de MWO volgt de vaktechnische opleiding (VTO); daarmee wordt de gehele opleiding tot officier voltooid.
Aanvankelijk was er op grond van gevoerd beleid een verschil in het bevorderingsmoment tot tweede luitenant, al naar gelang een cadet de MWO of de KOO had gevolgd. Een cadet die de MWO had gevolgd werd bevorderd tot tweede luitenant na afronding van de ALO 1 en 2, maar vóór de start van de VTO. Een cadet die de KOO had gevolgd werd na afronding van de ALO 1 en 2 bevorderd tot vaandrig/kornet. De bevordering tot tweede luitenant vond vervolgens plaats na afronding van de VTO. Op 27 januari 2022 heeft de Raad uitspraken gedaan in geschillen over de vraag of dit verschil in bevorderingsmoment tot tweede luitenant in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Die vraag heeft de Raad bevestigend beantwoord. De staatssecretaris is in verband daarmee opgedragen om de betrokkenen in die zaken alsnog met ingang van de datum van succesvolle afronding van ALO 1 en 2 (BO onderdelen 1 tot en met 4) van de KOO te bevorderen tot tweede luitenant.
Appellant heeft de KOO gevolgd en heeft deze opleiding op 25 juli 2019 afgerond. Per die datum is hij bevorderd tot vaandrig/kornet. Tegen het desbetreffende besluit heeft hij geen bezwaar gemaakt. Op 13 maart 2022 heeft appellant verzocht om met terugwerkende kracht tot 25 juli 2019 te worden bevorderd tot tweede luitenant. De staatssecretaris heeft dat verzoek met een besluit van 15 maart 2022 afgewezen. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
Na overleg met de bonden heeft de staatssecretaris beleid vastgesteld (compensatieregeling) voor gevallen waarin een KOO-cadet geen bezwaar heeft gemaakt tegen het bevorderingsbesluit tot vaandrig/kornet, maar later wel verzoekt om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden bevorderingsbesluit. Dit beleid is weergegeven in een brief van de hoofddirecteur personeel van 24 maart 2023, gericht aan de leden van het Sectoroverleg Defensie. Hierbij zijn vier categorieën onderscheiden:
Aan militairen in werkelijke dienst die in de periode van 23 oktober 2018 tot 27 januari 2022 de KOO-opleiding hebben gevolgd, wordt een eenmalige uitkering van € 1.200,- (bruto) uitgekeerd. Dit betreft militairen in werkelijke dienst die in opleiding voor de KOO zaten op of na 23 oktober 2018 en nog niet bevorderd waren tot tweede luitenant vóór 27 januari 2022. In dit verband is vermeld dat Defensie vanaf 23 oktober 2018 bekend was met de voorliggende materie, zijnde het moment dat de (eerste) bezwaarprocedures over dit onderwerp zijn ingesteld.
Militairen van de KOO die op 27 januari 2022 de rang van cadet-vaandrig/kornet hadden, worden met terugwerkende kracht bevorderd naar tweede luitenant met ingang van 27 januari 2022.
Militairen van de KOO die op 27 januari 2022 de rang van cadet-vaandrig/kornet of tweede luitenant hadden, worden bevorderd naar eerste luitenant op het moment dat twee jaar zijn verstreken na de aanvang van de VTO (het moment dat zij eigenlijk bevorderd hadden moeten worden naar tweede luitenant). Als dit moment ligt voor 27 januari 2022, worden deze militairen bevorderd naar eerste luitenant op 27 januari 2022.
Militairen die vanaf 1 januari 2014 de KOO hebben gevolgd en hun VTO zijn aangevangen in de rang van cadet-vaandrig/kornet met salarisnummer 5 of lager, wordt een extra salarisnummer toegekend. Bovendien krijgt deze categorie militairen een lumpsum-vergoeding toegekend van € 1.600,- (bruto).
Met een besluit van 6 oktober 2023 heeft de staatssecretaris beslist op het in 1.3 bedoelde bezwaar van appellant. De staatssecretaris is gebleven bij zijn afwijzing van het verzoek van 13 maart 2022. Daaraan is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenmin kan worden gezegd dat het niet terugkomen van het eerdere bevorderingsbesluit evident onredelijk is. Wel heeft de staatssecretaris appellant gecompenseerd op grond van categorieën 1 en 3 van de compensatieregeling.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten.
In de eerste plaats heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Volgens de rechtbank is de afwijzing van het verzoek niet evident onredelijk. Vereist is dat wat appellant daartoe heeft aangevoerd leidt tot het oordeel dat (het gevolg van) het niet herzien van het oorspronkelijke besluit evident onredelijk is. Dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld om het ongerechtvaardigde onderscheid op te heffen, zoals appellant heeft gesteld, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd was hij tot aan de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 in de veronderstelling dat het verschil in bevordering gerechtvaardigd was. De rechtbank Den Haag heeft dit standpunt van de staatssecretaris nog bij uitspraak van 6 november 2020 bekrachtigd. Dat de hoogste bestuursrechter daar anders over zou denken was allerminst evident. De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet hoeven terugkomen op het in rechte vaststaande bevorderingsbesluit.
Over categorie 1 heeft de rechtbank overwogen dat de beleidskeuze van toekenning van een lumpsum van € 1.200,-, ook uitgaande van een meer indringende toetsing, geen strijd oplevert met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wat betreft de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel heeft de rechtbank erop gewezen dat de compensatieregeling uit publieke middelen wordt bekostigd. Omdat die middelen niet onbeperkt zijn, moeten daarbij keuzes worden gemaakt. De rechtbank leidt uit de tekst van de compensatieregeling af dat het doel van de tegemoetkoming is om een specifieke groep van medewerkers financieel te compenseren. De compensatie aan de bedoelde groep wordt toegekend omdat tijdens gesprekken tussen Defensie en de leden van het sectoroverleg defensie mogelijk de indruk is gewekt dat Defensie iets van genoegdoening wilde bieden voor het verleden. De lumpsum uit categorie 1 is een geschikt middel om dit doel voor deze groep militairen te bereiken en de rechtbank vindt de compensatieregeling op dat punt niet onevenwichtig. Daarbij heeft de staatssecretaris gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat het beleid tot stand is gekomen nadat er overleg is gevoerd met de leden van het sectoroverleg Defensie. Daarnaast heeft de staatssecretaris, gelet op het grote aantal medewerkers dat aanspraak maakt op de compensatieregeling, aan de uitvoerbaarheid van de regeling groot belang mogen hechten. Tot slot heeft de staatssecretaris gewicht mogen toekennen aan het gegeven dat het toekennen van de financiële tegemoetkoming rechtens onverplicht is. Dat appellant in werkelijkheid meer geld is misgelopen dan € 1.200,- heeft de staatssecretaris in redelijkheid van minder belang mogen achten. De rechtbank is van oordeel dat de compensatieregeling zoals bedoeld in categorie 1 niet onevenredig is in relatie tot de daarmee te dienen doelen. Omdat het een rechtens onverplicht bedrag is, heeft de staatssecretaris kunnen volstaan met de uitleg die hij daarover heeft gegeven bij de zogeheten praatplaat. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van strijd met het motiveringsbeginsel.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep deels slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Niet in geschil is dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Met de rechtbank, en anders dan appellant heeft aangevoerd, is de Raad van oordeel dat het niet terugkomen van het oorspronkelijke bevorderingsbesluit van 2019 niet evident onredelijk is. De Raad kan zich daarbij in grote lijnen vinden in wat de rechtbank in dit verband heeft overwogen. Daaraan voegt de Raad toe dat de omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Van zo’n situatie is hier geen sprake.4.2. Appellant heeft verder aangevoerd dat het bedrag van € 1.200,- dat hoort bij categorie 1 van de compensatieregeling onjuist is, omdat de hoogte van dit bedrag niet deugdelijk is gemotiveerd. Het gaat appellant hierbij om de manier waarop de staatsecretaris de gemiddelde duur heeft berekend van de periode dat een cadet nadeel heeft ondervonden van de ongelijke behandeling. Ook op dit punt volgt de Raad appellant niet. Daarbij is het volgende van belang. Uit de stukken blijkt dat de staatssecretaris heeft bezien hoe lang de VTO gemiddeld genomen duurt en, in het verlengde hiervan, hoe lang een cadet gemiddeld de rang van vaandrig heeft. Die laatste duur is als uitgangspunt genomen voor de verdere berekening van het geleden nadeel. In een door de staatssecretaris opgesteld overzicht is een uitsplitsing gemaakt naar de duur dat een cadet de rang van vaandrig heeft. De kortste duur bedraagt 0 maanden (die voor de berekening van het gemiddelde is gesteld op 0,5 maand) en de langste duur die bij de berekening is meegenomen bedraagt 16 tot 18 achttien maanden. Periodes van meer dan 18 maanden zijn als ‘uitschieters’ aangemerkt en zijn bij de berekening van de gemiddelde duur buiten beschouwing gelaten. Dit betreft 31 gevallen op een totaal aan 569 gevallen. De groep van 31 gevallen bestaat met name uit de vliegers in opleiding. Op basis van een en ander is de staatssecretaris uitgekomen op een gemiddelde duur als vaandrig van, naar boven afgerond, 7 maanden. Anders dan appellant acht de Raad het buiten beschouwing laten van de 31 gevallen met een duur van meer dan 18 maanden en het wel meenemen van de gevallen met een duur van minder dan 3 maanden niet onaanvaardbaar. Zoals de rechtbank heeft overwogen is in dit verband van belang dat het beleid tot stand is gekomen nadat overleg is gevoerd binnen het sectoroverleg Defensie. Ook is van belang dat het hier gaat om toekenning van een financiële tegemoetkoming die rechtens onverplicht is. De staatssecretaris heeft daarom de compensatie voor categorie 1 mogen stellen op (in beginsel) € 1.200,-.
Het voorgaande neemt niet weg dat er in bijzondere gevallen reden zou kunnen zijn om af te wijken van het bedrag van € 1.200,-. Artikel 4:84 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb zal naar het oordeel van de Raad in het bijzonder aan de orde kunnen zijn als de desbetreffende cadet meer dan 18 maanden de rang van vaandrig heeft bekleed. Van belang hierbij is dat die gevallen bij de berekening van de gemiddelde duur buiten beschouwing zijn gelaten en dat het hierbij gaat om een duur van bijna driemaal of meer dan de gemiddelde duur van 7 maanden. In deze gevallen moet de staatssecretaris, mede aan de hand van de overige feiten en omstandigheden, beoordelen of er reden is voor afwijking van het beleid op dit punt.
Appellant heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij 20 maanden vaandrig is geweest en dat die lange duur verband houdt met omstandigheden die niet in zijn risicosfeer liggen, namelijk de coronapandemie. De staatssecretaris heeft nagelaten te beoordelen of deze omstandigheden aanleiding geven voor toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb. Gelet op wat in 4.2 is overwogen had dit wel op de weg van de staatssecretaris gelegen. De staatssecretaris zal dit alsnog moeten gaan beoordelen en zal in dat verband worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Conclusie en gevolgen
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De staatssecretaris zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door de staatssecretaris te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5. De gemachtigde van appellant heeft in deze zaak en in de zaken 25/823 WAD en 25/831 WAD hoger beroep ingesteld en deze hoger beroepen zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 13 november 2025, waarbij de werkzaamheden in elk van die zaken nagenoeg identiek zijn. Dit betekent dat sprake is van drie samenhangende zaken die voor de kosten van de rechtsbijstand in hoger beroep worden beschouwd als één zaak. De zaak 25/821 WAD, die weliswaar ook op de zitting van 13 november 2025 is behandeld en waarin dezelfde gemachtigde optreedt, merkt de Raad niet aan als een samenhangende zaak, omdat de beroepsgronden in die zaak deels anders zijn.
Aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 622,67 (één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van € 934,-, verdeeld over de drie samenhangende zaken). De staatssecretaris moet verder het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en R.W.L. Koopmans en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Algemeen militair ambtenarenreglement
Artikel 24b
1. De militair kan tijdens een initiële opleiding door Onze Minister worden bevorderd wegens het afsluiten van de opleiding of een gedeelte daarvan.
(…)