ECLI:NL:CRVB:2026:118

ECLI:NL:CRVB:2026:118

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 23/3447 WAD
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Deze zaak gaat over onverschuldigd betaald salaris dat is teruggevorderd en verrekend met het nog verschuldigde salaris. Appellante stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot terugvordering, invordering en verrekening. De Raad volgt dit standpunt niet.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2023, 23/1972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 22 januari 2026

Deze zaak gaat over onverschuldigd betaald salaris dat is teruggevorderd en verrekend met het nog verschuldigde salaris. Appellante stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot terugvordering, invordering en verrekening. De Raad volgt dit standpunt niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.F.R. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Eisenberger. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Pronk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante werkt sinds [datum] 2015 als burger bij het Ministerie van Defensie in een aanstelling van 38 uur per week. Appellante heeft vanaf 2 december 2019 tot en met 12 september 2021 ouderschapsverlof genoten van 5,3 uur per week. Daarnaast heeft appellante in voormelde periode 5,4 uren per week aan roostervrije uren genoten (variant vermindering contracturen). Zij werkte in die periode dus (feitelijk) 27,3 uur per week. Voor het ouderschapsverlof heeft appellante een (formeel) rekest ingediend dat is goedgekeurd en verwerkt. Voor de opname van de roostervrije uren (vermindering van de contracturen van 38 uur per week naar 32,6 uur per week) heeft appellante toen geen (formeel) rekest ingediend.

Appellante heeft medio 2021 verzocht om na haar periode van ouderschapsverlof haar arbeidstijd van 27,3 uur per week te behouden. De staatssecretaris heeft toen onderzoek gedaan, waarna is gebleken dat de opname van de roostervrije uren per 2 december 2019, bij gebrek aan een (formeel) rekest daartoe, niet is doorgevoerd in de salarisadministratie. Pas op 18 oktober 2021 heeft appellante met terugwerkende kracht tot 2 december 2019 een rekest voor die 5,4 roostervrije uren per week ingediend, wat vervolgens is goedgekeurd en verwerkt.

Appellante heeft een salarisstrook van 15 februari 2022 ontvangen, waarop een vordering is vermeld van € 9.576,67 aan teveel ontvangen salaris. Met een besluit van 23 februari 2022 is aan appellante meegedeeld dat dit bedrag zal worden teruggevorderd. Tegen deze terugvordering heeft appellante bezwaar gemaakt.

Met een besluit van 3 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante gericht tegen de hoogte van het bedrag van de terugvordering gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat aan appellante in de periode van 2 december 2019 tot 12 september 2021 ten onrechte 5,4 uren per week aan salaris is uitbetaald omdat zij die uren niet gewerkt heeft. Dat aan appellante te veel salaris is betaald, had haar ook duidelijk kunnen zijn. De staatssecretaris is daarom bevoegd om het onverschuldigd betaalde salaris terug te vorderen, behoudens het onverschuldigd betaalde salaris over de maanden december 2019 en januari 2020. De terugvordering is daarmee beperkt tot een termijn van twee jaar na uitbetaling van het onverschuldigd betaalde salaris.

De staatssecretaris heeft de vordering deels verrekend met het salaris van appellante. Op het salaris over februari 2022 is een bedrag in mindering gebracht tot de beslagvrije voet. Na inhoudingen in de maanden maart 2022 tot en met juli 2022, resteerde nog een bedrag van € 3.176,89. Voor dit bedrag heeft appellante tot 1 augustus 2023 uitstel van betaling gekregen. Dit bedrag heeft appellante inmiddels betaald.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe is het volgende overwogen. Appellante heeft een beroep gedaan op de ‘zes-maandenjurisprudentie’ en verwezen naar een e-mail van 7 januari 2020. Naar het oordeel van de rechtbank is de e-mail van 7 januari 2020 niet een voldoende concreet signaal van appellante dat zij te veel salaris ontving vanwege het niet juist verwerken van haar roostervrije uren. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door niet binnen zes maanden na voormelde e-mail het onverschuldigd betaalde salaris terug te vorderen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Appellante heeft verwezen naar een e-mail van 16 juni 2020 van het bedrijfsbureau waarin vermeld is dat DCHR alles zal verwerken en juist in het systeem zal zetten. Uit deze e-mail kan niet worden afgeleid dat de staatssecretaris eventueel teveel betaald salaris niet zal terugvorderen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering, invordering en verrekening. In wat appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Niet in geschil is dat sprake is van onverschuldigd betaald salaris aan appellante omdat zij in de periode van 2 december 2019 tot en met 12 september 2021 5,4 uren per week niet heeft gewerkt, maar deze uren wel uitbetaald heeft gekregen. Onverschuldigd betaald salaris kan op grond van artikel 10b en artikel 10c, eerste lid, van de Wet ambtenaren defensie worden teruggevorderd en verrekend met verschuldigd betaald salaris. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of gebruik kon worden gemaakt van deze bevoegdheid.

Zes-maandenjurisprudentie

Appellante heeft, met verwijzing naar haar e-mail van 7 januari 2020 gericht aan het bedrijfsbureau, een beroep gedaan op de ‘zes-maandenjurisprudentie’.

Op grond van de zes-maandenjurisprudentie wordt de bevoegdheid van een bestuursorgaan om een onverschuldigde betaling terug te vorderen in de tijd beperkt indien het niet adequaat reageert op signalen van een (gewezen) ambtenaar waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte wordt betaald. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog maximaal zes maanden om tot actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel om nog gebruik te maken van de bevoegdheid tot terugvordering.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beroep van appellante op de zesmaandenjurisprudentie niet slaagt. De e-mail van 7 januari 2020 kan niet worden beschouwd als een voor de toepassing van deze rechtspraak relevant signaal. In die e-mail vraagt appellante na of alles voor haar roostervrije uren en ouderschapsverlof is geregeld en merkt zij op dat ze op dat moment nog haar volledige salaris en vakantiedagen krijgt en dat ze aanneemt dat dit nog aangepast gaat worden. Niet in geschil is dat er ten tijde van de email van 7 januari 2020 nog geen formeel rekest lag met betrekking tot de roostervrije uren. Appellante had kunnen en moeten weten dat zo’n rekest wel noodzakelijk was om een vermindering van haar roostervrije uren te bewerkstelligen. Door het ontbreken ervan was de vraag van appellante of alles voor – onder meer – haar roostervrije uren geregeld was prematuur. Tegen deze achtergrond kan de e-mail van 7 januari 2020 niet worden aangemerkt als een voldoende concreet signaal dat te veel salaris werd verstrekt vanwege het niet of onjuist verwerken van de opname van de roostervrije uren. Het standpunt van appellante dat de bevoegdheid om het teveel betaalde salaris terug te vorderen, is beperkt tot zes maanden ná 7 januari 2020 kan daarom niet worden gevolgd.

Vertrouwensbeginsel

Het standpunt van appellante dat de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel, slaagt evenmin.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens vaste rechtspraak in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. De Raad oordeelt dat niet is voldaan aan deze eerste noodzakelijke stap voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellante heeft ter onderbouwing van haar beroep op het vertrouwensbeginsel verwezen naar een e-mail van 16 juni 2020 van het bedrijfsbureau gericht aan appellante, waarin alleen staat dat DCHR alles zal verwerken en juist in het systeem zal zetten. Gelet op de voorafgaande e-mailwisseling tussen appellante en het bedrijfsbureau had deze mail betrekking op het rekestformulier met betrekking tot het ouderschapsverlof. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit deze e-mail niet kan worden afgeleid dat de staatssecretaris geen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om eventueel te veel betaald salaris vanwege de roostervrije uren terug te vorderen.

Evenredigheidsbeginsel

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel door niet af te zien van de terugvordering en verrekening. Ook deze grond slaagt niet.

De onverschuldigde betaling is in feite ontstaan doordat appellante al minder is gaan werken en uitvoering heeft gegeven aan de door haar gewenste vermindering van roostervrije uren per 2 december 2019, terwijl zij daarvoor nog geen formele toestemming van het bevoegde gezag had. Ter zitting is toegelicht dat toestemming verkregen wordt door een ingevuld rekestformulier te laten ondertekenen door de leidinggevende en de commandant. Appellante heeft een dergelijk ondertekend rekestformulier destijds niet ingediend. Bovendien heeft appellante ter zitting verklaard dat zij in januari 2020 van kazerne is gewisseld en de opname van de roostervrije uren niet met haar nieuwe leidinggevende heeft besproken. Pas ná de betreffende periode waarin zij minder uren heeft gewerkt, heeft appellante met terugwerkende kracht de toestemming hiervoor van het bevoegd gezag verkregen. Van de zijde van de staatssecretaris is dus geen sprake geweest van een administratieve fout of onjuiste verwerking van een goedgekeurde aanvraag. Ook is niet gebleken dat de staatssecretaris heel lang heeft gewacht met de terugvordering en verrekening, nadat er ontdekt was dat aan appellante te veel salaris was betaald vanwege de minder gewerkte uren. In wat appellante heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Van een schrijnende financiële situatie op grond waarvan afgezien had moeten worden van de verrekening is niet gebleken. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend is.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) H. de Brabander

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?