Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank van 21 augustus 2023
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 22 januari 2025
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak van 30 maart 2023, ECLI:CRVB:2023:586, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2022, 21/2908, vernietigd. Daarbij is het beroep tegen de besluiten van 21 april 2021 en 14 juni 2021 gegrond verklaard en is het besluit van 21 april 2021 vernietigd. Aan de Svb is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en is met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Ter uitvoering van de uitspraak heeft de Svb op 21 augustus 2023 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).
Namens appellant heeft [gemachtigde] beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
In artikel 8:41, eerste lid, Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij brief van 8 oktober 2025 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 51,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 10 november 2025 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven, dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald. Om deze reden is het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen