SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1622 PW, 24/1623 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2024, 23/8217 en 24/2093 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Deze zaak gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand en over een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het college heeft de bijstand van appellante ingetrokken op de grond dat appellante niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek. Appellante voert aan dat een redelijke grond voor het huisbezoek ontbrak. Appellante krijgt daarin gelijk. Het college had de bijstand daarom niet mogen intrekken. Als gevolg daarvan had het college de bijstand ook niet mogen terugvorderen en is de grondslag aan de aanvraag komen te ontvallen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 november 2025. Voor appellante is mr. Walker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Weger.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontving sinds 7 december 2018, in aanvulling op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering, bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Ook ontving zij bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, laatstelijk toegekend van 1 januari 2023 tot met 31 december 2023 tot een bedrag van € 125,54 per maand.
Op 14 oktober 2022 ontving het college een melding van de gemeente Den Haag dat – voor zover hier van belang – uit pintransacties bleek dat de dochter van appellante (dochter), die een dak -en thuislozenuitkering ontving van de gemeente Den Haag, veelal in [woonplaats] verbleef. Het vermoeden bestond dat de dochter bij appellante zou verblijven. De gemeente Den Haag heeft het college verzocht of het mogelijk was appellante op te roepen of eventueel een huisbezoek af te leggen aan de woning op het adres van appellante. Naar aanleiding van deze melding heeft een handhavingsspecialist van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.
In het kader van dit onderzoek heeft de handhavingsspecialist gebeld met een medewerker van de gemeente Den Haag. In dit telefoongesprek kwam naar voren dat de dak- en thuislozenuitkering van de dochter inmiddels was beëindigd met als reden dat het centrum van haar persoonlijk leven zich afspeelde bij appellante in [woonplaats] . Verder heeft op 15 november 2022 een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en de handhavingsspecialist. In een rapport van 24 februari 2023 staat dat appellante heeft verklaard dat haar zoon en dochter wel eens blijven slapen, maar niet bij haar wonen. Nadat appellante er in het gesprek op is gewezen dat de gemeente Den Haag heeft vastgesteld dat haar dochter meer bij haar in [woonplaats] zou verblijven dan op andere plekken en de daklozenuitkering van de dochter in [plaats] inmiddels was beëindigd, heeft appellante verklaard dat haar dochter wel op haar adres zou verblijven, maar niet bij haar woont. De dochter zou ook wel eens bij een kennis in [plaats] en op andere plekken blijven slapen. De handhavingsspecialist heeft appellante in dit gesprek meegedeeld dat de dochter zich ook kan inschrijven op het adres van appellante en bijstand kan aanvragen. Appellante zou hierover nadenken, maar heeft een week later telefonisch doorgegeven dat haar dochter zich niet op haar adres zal inschrijven. De handhavingsspecialist heeft appellante daarop laten weten dat er nog een huisbezoek zou kunnen volgen om de feitelijke woon- en leefsituatie te onderzoeken.
Op 24 januari 2023 heeft de handhavingsspecialist samen met een collega getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan de woning op het adres van appellante. Dat huisbezoek heeft geen doorgang gevonden omdat appellante corona had. Vervolgens heeft de handhavingsspecialist op 1 maart 2023 opnieuw getracht een huisbezoek af te leggen. Appellante heeft toen geweigerd aan dat huisbezoek mee te werken, ook nadat haar bedenktijd was gegeven.
Met besluiten van 8 en 13 september 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 3 november 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college het recht op bijstand van appellante per 1 maart 2023 ingetrokken en gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.053,50 van haar teruggevorderd. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante haar medewerkingsverplichting heeft geschonden door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek op 1 maart 2023, terwijl er gerede twijfel bestond over haar feitelijke woon- en leefomstandigheden. Als gevolg van deze schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Op 19 september 2023 heeft appellante een aanvraag om bijstand ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft op 16 oktober 2023 een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en twee handhavingsspecialisten. Aan het einde van dit gesprek hebben de handhavingsspecialisten een huisbezoek aangekondigd. Appellante heeft geweigerd hieraan mee te werken. Appellante is een hersteltermijn geboden. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.
Met een besluit van 19 oktober 2023 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, waarop het college met een besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit 2) heeft beslist. Met bestreden besluit 2 heeft het college de aanvraag alsnog afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante haar medewerkingsverplichting heeft geschonden door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek op 16 oktober 2023. Als gevolg van deze schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat een redelijke grond voor het op 1 maart 2023 afgelegde huisbezoek ontbrak. Zij krijgt daarin gelijk. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Intrekking en terugvordering
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de PW verleent de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien hij de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de PW, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
Vaststaat dat appellante niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek dat de handhavingsspecialisten op 1 maart 2023 in de woning van appellante wilden afleggen. Beoordeeld moet worden of het college om die reden de bijstand van appellante mocht intrekken.
Artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning.Aan het niet meewerken aan een huisbezoek kunnen pas gevolgen worden verbonden – in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand – als voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Ook dit is vaste rechtspraak.
Een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dat redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand én duidelijk is op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden daaraan kan worden getwijfeld. Ook moeten deze gegevens niet op een andere effectieve en voor de betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Bij de beoordeling of een inbreuk op het huisrecht is gemaakt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, moet dus ook worden onderzocht of het huisbezoek voldoet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Het eerste vereiste betekent dat er geen andere passende, minder ingrijpende manier is om de rechtmatigheid van de verleende bijstand te onderzoeken dan het afleggen van een huisbezoek. Bij het tweede vereiste gaat het erom of het huisbezoek in een redelijke verhouding staat tot het daarmee te dienen doel, namelijk controle. Beide vereisten zijn van belang bij de vraag of een redelijke grond bestond voor het huisbezoek. De bijstandverlenende instantie zal dan ook – voorafgaand aan het afleggen van het huisbezoek – beide vereisten moeten betrekken bij zijn beslissing om dit verstrekkende controlemiddel in te zetten. Dit volgt uit eerdere uitspraken.
Appellante heeft aangevoerd dat er op 1 maart 2023 bij aanvang van het huisbezoek geen redelijke grond bestond voor dat huisbezoek. Er was geen reden te twijfelen aan de door haar verstrekte informatie. Appellante wijst er in dit verband op dat tussen de melding van de gemeente Den Haag en het geweigerde huisbezoek een periode van bijna vier maanden ligt. Het college heeft onzorgvuldig gehandeld door niet te onderzoeken of er een redelijke grond was. Zij wijst er in dit verband op dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in een uitspraak van 12 januari 2023 het besluit tot beëindiging van de dak- en thuislozenuitkering van de dochter inmiddels had geschorst. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.
De melding van de gemeente Den Haag van 14 oktober 2022 bevat de mededeling dat de dochter van appellante veel in de gemeente Rijswijk pint en vermoedelijk ook bij haar moeder verblijft. De gemeente Den Haag vermoedt dat de dochter bij appellante verblijft, maar waarop dat vermoeden is gebaseerd, blijkt niet uit de melding. Wel blijkt daaruit dat de gemeente Den Haag het college juist verzoekt om hiernaar onderzoek te doen, zodat er bij de besluitvorming in de gemeente Den Haag rekening mee kan worden gehouden als blijkt dat de dochter bij appellante verblijft.
Uit het rapport van 24 februari 2023 blijkt dat de handhavingsspecialist op enig moment na 1 november 2022 contact heeft opgenomen met de gemeente Den Haag. In het rapport staat daarover dat de bijstandsuitkering van de dochter inmiddels was beëindigd met als reden dat het centrum van haar persoonlijk leven zich zou afspelen bij haar moeder in [woonplaats] . Ook staat in het rapport dat dit is gebeurd op basis van de pintransacties in [woonplaats] en een gesprek dat met de dochter had plaatsgevonden. Wat de dochter in dat gesprek heeft verklaard blijkt niet uit het rapport.
Naar aanleiding van de melding op 14 oktober 2022 heeft het college een gesprek gevoerd met appellante. Van dit gesprek is geen gespreksverslag opgemaakt. Wel is in het rapport van 24 februari 2023 een weergave van het gesprek opgenomen, zoals weergegeven onder 1.3.
De melding en het daarop gevolgde contact met de gemeente Den Haag bieden geen concrete feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen zijn om eraan te twijfelen of de woonsituatie van appellante wel die van een alleenstaande was. Het betreft niet meer dan vermoedens. In de in het rapport opgenomen verklaring van appellante wordt weliswaar gesproken over het verblijf van de dochter bij appellante, maar de vraag is hoe concreet de verklaring van appellante daarover is. Appellante verklaart immers dat de dochter niet alleen bij haar verblijft, maar ook in [plaats] en op andere plekken. Niet duidelijk is hoe vaak de dochter bij appellante verbleef. De weergave in het rapport maakt niet duidelijk wat er precies is gevraagd en ook blijkt niet dat hierop is doorgevraagd. De verklaring van appellante roept mogelijk de vraag op of de dochter op het adres van appellante ook haar hoofdverblijf heeft en daarmee twijfel of appellante wel alleenstaande is, maar zo er met die verklaring al sprake is van voldoende concrete feiten en omstandigheden om te twijfelen aan de door haar opgegeven woonsituatie, heeft in ieder geval te gelden dat het college zich er drie-en-een-halve maand na de verklaring rekenschap van had moeten geven hoe de feitelijke situatie op dat moment was en daar eerst onderzoek naar had moeten doen. Hierbij komt betekenis toe aan het feit dat de verklaring van appellante weinig concreet is, hierop niet is doorgevraagd en zij het verblijf van haar dochter op haar adres plaatst in de context van de dakloosheid van de dochter. Had het college navraag gedaan in [plaats] of opnieuw gesproken met appellante, dan had het college bijvoorbeeld kunnen ontdekken dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om de dak- en thuislozenuitkering van de dochter per 1 december 2022 te beëindigen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 12 januari 2023 is geschorst met als reden dat daarvoor een onvoldoende feitelijke grondslag was.
Gelet op wat in 4.3 tot en met 4.4.4 is overwogen, bestond er op 1 maart 2023 geen redelijke grond voor een huisbezoek. Om die reden kan aan de weigering van appellante om hieraan mee te werken niet het gevolg worden verbonden dat de bijstand wordt ingetrokken. Het college heeft het recht op bijstand daarom ten onrechte ingetrokken. Dit heeft ook tot gevolg dat het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 maart 2023 tot en met 30 juni 2023 ten onrechte van appellante heeft teruggevorderd.
Afwijzing nieuwe aanvraag
Wat is overwogen in 4.5 brengt ook mee dat aan de afwijzing van de aanvraag van 19 september 2023 de grond is komen te ontvallen. Achteraf moet namelijk worden vastgesteld dat appellante geen nieuwe aanvraag om bijstand had hoeven doen. De besluitvorming op die aanvraag kan daarom niet in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad ziet verder aanleiding om zelf in de zaken te voorzien door de besluiten van 8 september 2023, 13 september 2023 en 19 oktober 2023 te herroepen. Dit betekent dat de intrekking, de terugvordering en de afwijzing van de aanvraag ongedaan worden gemaakt en dat het recht op bijstand vanaf 1 maart 2023 blijft bestaan.
5. Gelet op 4.7 krijgt appellante een vergoeding voor de door haar gemaakte kosten in bezwaar van € 2.664,- (2 punten voor het indienen van twee bezwaarschriften en 2 punten voor het bijwonen van twee hoorzittingen). Ook krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten in beroep van € 2.802,- (2 punten voor het indienen van twee beroepschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en in hoger beroep van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). In totaal komt dit neer op een vergoeding van € 7.334,-.
6. Daarnaast moet het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E.J.M. Heijs en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.