SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2024, 24/1879 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[betrokkene] (betrokkene)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
In tegenstelling tot de rechtbank oordeelt de Raad dat betrokkene en zijn partner niet duurzaam gescheiden van elkaar leven. De mate van onderling contact staat aan het aannemen van duurzaam gescheiden leven in de weg. De Svb heeft het AOW-pensioen van betrokkene terecht herzien naar de norm voor een gehuwde en het teveel betaalde bedrag van betrokkene teruggevorderd.
PROCESVERLOOP
De Svb heeft hoger beroep ingesteld. De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 oktober 2025. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. L. Wimmenhove, advocaat.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Aan betrokkene is bij besluit van 18 juli 2023 een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde toegekend, ingaande op 14 november 2023. Op [datum] 2023 is betrokkene een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam partner] . Hierop is de Svb een onderzoek gestart naar de leefsituatie van betrokkene en zijn partner. Betrokkene en zijn partner hebben in dat kader elk een vragenformulier over hun leefsituatie ingevuld.
Met een besluit van 28 december 2023 heeft de Svb met ingang van 1 december 2023 het AOW-pensioen van betrokkene herzien naar de norm voor een gehuwde. Hierdoor heeft betrokkene een bedrag van € 464,99 te veel ontvangen, dat de Svb terugvordert. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 11 maart 2024 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene sinds 1990 een latrelatie heeft met zijn partner en dat hij het geregistreerde partnerschap is aangegaan om zijn erfenis aan haar kinderen veilig te stellen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is er in het geval van betrokkene volgens de Svb geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Er kan niet worden gesteld dat zij beiden een leven leiden alsof er geen partnerschap is. Het feit dat betrokkene en zijn partner op verschillende adressen wonen is niet voldoende om hen als duurzaam gescheiden levend aan te merken. Van bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien, is niet gebleken.
Het geregistreerd partnerschap tussen betrokkene en zijn partner is per 17 april 2024 ontbonden. Met een besluit van 13 mei 2024 heeft de Svb vanaf april 2024 het AOWpensioen van betrokkene herzien naar de norm van een ongehuwde.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 28 december 2023 herroepen en vervolgens zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkene vanaf december 2023 recht heeft op een pensioen naar de norm voor een ongehuwde. Daarbij is een veroordeling uitgesproken in de proceskosten en bepaalt dat de Svb het griffierecht moet vergoeden aan betrokkene. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van duurzaam gescheiden leven tussen betrokkene en zijn partner. Weliswaar zijn betrokkene en zijn partner een geregistreerd partnerschap aangegaan maar uit de specifieke feiten en bijzondere omstandigheden blijkt dat in dit geval een met een huwelijk gelijk te stellen situatie nooit is ontstaan. Daarbij is naar oordeel van de rechtbank doorslaggevend dat de feitelijke situatie, waarin elk van de partners vanuit de eigen woning zijn eigen leven vorm gaf, in de jaren voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap en daarna, ongewijzigd is gebleven. Uitsluitend de juridische werkelijkheid veranderde door het aangaan en ontbinden van het geregistreerd partnerschap en de gevolgen daarvan konden door betrokkene alleen worden voorkomen door aannemelijk te maken dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn partner, hetgeen niet mogelijk was omdat hij nu juist met zijn partner een latrelatie onderhoudt. Betrokkene en zijn partner leiden beiden een eigen leven als waren zij niet als partners geregistreerd. Dit is een gewilde en als duurzaam aan te merken situatie. Dat betrokkene en zijn partner sinds 1990 een latrelatie hebben en dat zijn partner regelmatig bij hem komt, doet volgens de rechtbank hier niet aan af.
De standpunten van partijen
3. De Svb is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens de Svb is de rechtbank van een onjuist toetsingskader van het begrip duurzaam gescheiden leven uitgegaan door de leefsituatie voor en na het geregistreerd partnerschap te vergelijken. Bepalend is de leefsituatie vanaf de datum van het geregistreerd partnerschap, omdat daardoor een juridische wijziging in de rechtspositie van betrokkene is ontstaan. Uit de leefsituatie zoals die door de rechtbank is beschreven concludeert de Svb dat er tussen de partners een dermate grote mate van contact is en tevens zorg (zoals het regelen van de nalatenschap), dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.
4. Betrokkene vraagt om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Van zorg voor of financiële verwevenheid met zijn partner is geen sprake. Het geregistreerd partnerschap diende slechts om te zorgen dat de kinderen van zijn partner aanspraak zouden kunnen maken op zijn erfenis, zijn partner profiteerde hier niet van. In die zin was er geen sprake van onderlinge (financiële) zorg tussen hem en zijn partner. Er is bij hem en zijn partner nooit sprake geweest van enige intentie om samen te leven. Dat wordt bevestigd door het feit dat het geregistreerd partnerschap per 17 april 2024 weer is ontbonden.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat de Svb in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
In geschil is of vanaf 1 december 2023 sprake was van duurzaam gescheiden leven. In dat kader heeft de Svb in het bijzonder de vraag opgeworpen of de rechtbank een juist toetsingskader heeft aangelegd.
Als hoofdregel heeft betrokkene, omdat hij een geregistreerd partnerschap is aangegaan, recht op een pensioen naar de norm voor een gehuwde. Uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW volgt dat de als partner geregistreerde gelijkgesteld wordt met een gehuwde. Dit is slechts anders als sprake is van een uitzonderingssituatie: op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
Volgens betrokkene is sprake van een gewilde verbreking – meer precies: een gewild niet-totstandkomen – van de huwelijke samenleving. In een gewilde situatie legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan namelijk bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken.In het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk betrokkenen de intentie hebben om voor elkaar zorg te dragen in een echtelijke samenleving. Er kan echter niet helemaal worden uitgesloten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken. Dat moet dan wel ondubbelzinnig uit de omstandigheden blijken. Deze uitgangspunten zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan van een geregistreerd partnerschap.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen is niet doorslaggevend dat de feitelijke situatie, waarin elk van de partners vanuit de eigen woning zijn eigen leven vorm gaf, ten opzichte van de jaren voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap ongewijzigd is gebleven en door het aangaan van het geregistreerd partnerschap alleen de juridische werkelijkheid is gewijzigd. Door het aangaan van een geregistreerd partnerschap wordt op betrokkene een andere bepaling van de AOW en daarmee een ander toetsingskader van toepassing. Er is dan geen sprake meer van ongehuwden die mogelijk een gezamenlijke huishouding voeren zoals bedoeld in artikel 1, derde lid sub a, waarvan een hoofdverblijf in dezelfde woning een element is (artikel 1, vierde lid van de AOW). Na het aangaan van het geregistreerd partnerschap is artikel 1, derde lid onder b van de AOW van toepassing. Beoordeeld moet dan worden of betrokkene vanaf 1 december 2023 duurzaam gescheiden leefde van zijn partner op basis van alle feiten en omstandigheden.
De Raad is wat betreft de vraag of tussen betrokkene en zijn partner sprake is van duurzaam gescheiden leven van oordeel dat niet ondubbelzinnig is gebleken dat betrokkene en zijn partner ieder afzonderlijk een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn. Met name de mate van hun onderling contact staat daaraan in de weg. Appellant en zijn partner hebben reeds lange tijd een latrelatie. Zijn partner brengt regelmatig lange weekenden door met betrokkene in zijn huisje in de bossen. Zij koken, eten en overnachten dan samen. Als zij gezamenlijk bekenden tegenkomen dan presenteren zij zich, afhankelijk van de context, als geliefden. Dat betekent dat naar de maatstaf van de vaste rechtspraak geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Dat er buiten dit onderlinge contact geen sprake is van onderlinge zorg in geval van ziekte en dat sprake is van financiële onafhankelijkheid, doet hier niet aan af.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de toekenning van het AOW-pensioen met ingang van 1 december 2023 naar de norm voor een gehuwde en de terugvordering van het teveel betaalde bedrag in stand blijven.
6. Voor een vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en A. Hoogenboom en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) S. Ploum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.