Datum uitspraak: 6 januari 2026
24/1599 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 mei 2024, 23/5378 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 24 mei 2024 (verzonden op 3 juni 2024) het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit van 29 september 2023 met betrekking tot de boete vernietigd en de Svb opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van die uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant, met inachtneming van die uitspraak.
Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, bij brief van 12 juli 2024 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Op 18 juli 2024 heeft de Svb een nieuw besluit genomen waarbij het bezwaar van appellant alsnog gegrond is verklaard en de eerder opgelegde boete is komen te vervallen.
Naar aanleiding van dit nieuwe besluit heeft mr. De Leest namens appellant via e-mailbericht van 4 juni 2025 het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Svb kan zich niet vinden in een veroordeling in de proceskosten en voert daarbij aan dat appellant geen belang heeft (gehad) bij het hoger beroep. Met de uitspraak van de rechtbank was reeds duidelijk dat er een nieuw besluit zou komen over de aan appellant opgelegde boete, en was duidelijk dat dit besluit alleen kon inhouden dat er (alsnog) geen boete aan appellant zou worden opgelegd. Ook voert de Svb aan dat de reden waarom appellant in eerste instantie hoger beroep had ingesteld – namelijk omdat appellant van mening is dat de rechtbank zelf in de zaak had moeten voorzien – losstaat van de vraag of de Svb op het moment van het instellen van het hoger beroep al een nieuw besluit had genomen.
In reactie daarop voert de gemachtigde van appellant aan dat appellant wel belang had bij het instellen van hoger beroep, omdat op 15 juli 2024 de beroepstermijn zou verstrijken, en de Svb het nieuwe besluit uiteindelijk ook pas op 18 juli 2024 heeft genomen. Daar komt bij dat het onjuist is dat het nieuwe besluit alleen kon inhouden dat er geen boete zou worden opgelegd aan appellant, omdat de Svb op zitting had aangegeven dat zij, wat betreft de verwijtbaarheid van appellant, niet verder wilde gaan dan het aannemen van een verminderde verwijtbaarheid met een percentage van 25%.
Nu de Svb met het nieuwe besluit aan de inhoudelijke bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, is sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De Raad volgt de Svb in zijn standpunt dat in dit bijzondere geval de proceskosten niet redelijkerwijs zijn gemaakt en deze daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank had weliswaar op grond van artikel 8:72a van de Awb zelf een beslissing moeten nemen omtrent het opleggen van de boete en moeten bepalen dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde boete. Het instellen van hoger beroep op alleen het punt van de boete was echter niet nodig omdat de aangevallen uitspraak geen ruimte gaf voor het opleggen van een (lagere) boete door de Svb.
De Raad wijst het verzoek van appellant om de Svb te veroordelen in de proceskosten dan ook af.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen