23. 2022 NIOAZ-PV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juni 2023, 21/2252 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brunssum en Landgraaf (dagelijks bestuur)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Zitting hebben: E.C.E. Marechal als voorzitter, E.J.M. Heijs en C.F.E. van Olden-Smit als leden
Griffier: L. van Beelen
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 januari 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.J. Michiels.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
4. Voorop staat dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de betreffende consulent een toezegging heeft gedaan als door appellanten gesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellanten er niet voor hebben gekozen om de consulent in beroep op te (doen) roepen als getuige. Dat is in hoger beroep ook het geval.
5. Ter onderbouwing van de gestelde toezegging hebben appellanten – naast hun eigen verklaring – alleen twee verschillende, ongedateerde, schriftelijke verklaringen van een gestelde getuige aangeleverd. Deze getuige zou bij appellanten thuis aanwezig zijn geweest toen het telefoongesprek tussen hen en de consulent plaatsvond waarbij de gestelde toezegging zou zijn gedaan. Aan de verklaringen van die getuige kan niet de waarde worden toegekend die appellanten daar graag aan toegekend zouden willen zien. Uit die verklaringen kan namelijk niet worden opgemaakt wat er door de consulent precies zou zijn gezegd of toegezegd en in welke context dat zou zijn.
6. Appellanten hebben met hun eigen verklaringen de gestelde toezegging ook niet aannemelijk gemaakt. Daarbij weegt mee dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt ter onderbouwing van de verklaringen van appellanten. In het bezwaarschrift of tijdens de hoorzitting hebben appellanten juist helemaal niets aangevoerd of gezegd over een toezegging van de consulent, terwijl dat wel voor de hand had gelegen.
7. Appellanten krijgen wel de gevraagde schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
8. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het dagelijks bestuur op 30 december 2020 tot aan deze uitspraak zijn vijf jaar en bijna één maand verstreken. In de zaak zelf, noch in de opstelling van appellanten zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met dertien maanden overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.500,-.
9. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de Staat onderscheidenlijk het dagelijks bestuur wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellanten tot een bedrag van € 1.385,- (12/13 deel van € 1.500,-). Het dagelijks bestuur wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellanten tot een bedrag van € 115,- (1/13 deel van € 1.500,-).
10. In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding het dagelijks bestuur en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellanten ter zake van dat verzoek. Deze kosten worden begroot op € 467,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek, wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van dat verzoek bestaat in dit geval geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) L. van Beelen (getekend) E.C.E. Marechal