OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2. Verzoeker stelt dat de behandelend rechter er blijk van heeft gegeven vooringenomen te zijn. Het wrakingsverzoek richt zich op de wijze waarop door de behandelend rechter vragen zijn gesteld die verzoeker als vermanend en belerend heeft ervaren. In de discussie over de vraag in hoeverre de rechterlijke macht bij de overheid behoort zijn verzoeker volgens hem woorden in de mond gelegd die hij niet heeft gebezigd. Verder heeft de behandelend rechter volgens verzoeker het Uwv voorgesteld om hem 150 keer in de proceskosten te veroordelen, terwijl het Uwv zelf hier niet mee kwam. Ook heeft de behandelend rechter volgens verzoeker een vijandige houding aangenomen bij de vraag waarom verzoeker aanvragen voor het STAPbudget niet digitaal maar op papier heeft gedaan, terwijl de STAP-regeling de digitale weg voorschrijft.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek is verder van belang dat het bepalen van het zittingsverloop, de voortgang van de zitting en de orde in de zittingszaal tot de taakuitoefening van de rechter behoren. Dat geldt ook voor het stellen van (kritische) vragen aan partijen. Het enkele feit dat (kritische) vragen worden gesteld, vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter.
Het uitgewerkte proces-verbaal van de zitting van 19 november 2025 geeft wat betreft de wijze van vraagstelling en wat betreft de bewoordingen geen enkel aanknopingspunt, laat staan een zwaarwegende aanwijzing, voor het oordeel dat de behandelend rechter vooringenomen is. De behandelend rechter heeft in zijn reactie op het wrakingsverzoek te kennen gegeven dat in deze zaak over misbruik van recht, waarbij het gaat om meer dan 700 aanvragen en gevorderde dwangsommen, een indringende vraagstelling in de rede lag. Dat verzoeker die vraagstelling als vermanend en belerend heeft ervaren, is geen grond voor de wrakingskamer om te oordelen dat er een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de behandelend rechter is. Tot slot wordt nog opgemerkt dat uit het proces-verbaal niet volgt dat de behandelend rechter het Uwv heeft voorgesteld verzoeker 150 keer in de proceskosten te veroordelen. Hij heeft over een mogelijke proceskostenveroordeling van verzoeker enkel een vraag aan de vertegenwoordiger van het Uwv gesteld.
4. Wat is overwogen onder 3.1, 3.2 en 3.3 betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.M. Snellenberg (getekend) E.J.M. Heijs
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep