SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/8 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 november 2024, 23/1422 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de aanvragen van appellant om een ZW-uitkering en WIA-uitkering heeft afgewezen omdat hij niet verplicht is verzekerd voor de werknemersverzekeringswetten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Have. Tevens heeft de partner van appellant voor hem het woord gevoerd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellant ontvangt sinds 7 juli 2010 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Op 17 mei 2022 heeft [naam eigenaar] onder vermelding van een loonheffingennummer, bij het Uwv gemeld dat appellant als manager ziek is uitgevallen voor zijn werk per 15 september 2020 na betrokkenheid bij een auto-ongeval. Het Uwv heeft de melding aangemerkt als een aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
Naar aanleiding van een interne melding over een mogelijk gefingeerd dienstverband heeft het Uwv onderzoek verricht naar de dienstbetrekking van appellant bij [naam bedrijf] ( [bedrijf] ), waarvan [naam eigenaar] (hierna: [eigenaar] ) volgens de inschrijving in de Kamer van Koophandel de eigenaar is. In verband daarmee is appellant op 26 januari 2024 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 maart 2024 (hierna: het onderzoeksrapport).
Bij besluit van 23 mei 2022 heeft het Uwv de ZW-aanvraag afgewezen omdat appellant volgens het Uwv niet verplicht is verzekerd voor de werknemersverzekeringswetten, omdat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [bedrijf] .
Bij besluit van 21 september 2022 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat appellant niet verplicht is verzekerd voor de werknemersverzekeringswetten.
Bij besluit van 9 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 23 mei 2022 en 21 september 2022 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant niet verplicht is verzekerd voor de ZW en de Wet WIA, omdat hij niet als werknemer van [bedrijf] kan worden aangemerkt. Er is geen sprake van loon. Vanaf 1 januari 2022 is loonopgave gedaan, echter bedraagt het loon € 0,-. Voorafgaande aan 1 januari 2022 is geen loonopgave bekend. Daarnaast volgt uit de overgelegde loonstroken niet dat daadwerkelijk een loonbetaling heeft plaatsgevonden. Verder merkt het Uwv op dat appellant geen melding heeft gedaan van zijn dienstbetrekking bij [bedrijf] , terwijl hij dit in het kader van zijn Wajong-uitkering wel verplicht is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake was van een verplichting tot betaling van loon door [bedrijf] aan appellant. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat in de polisadministratie tot op heden geen loon is opgevoerd. Verder heeft de ziekmelding per 15 september 2020 pas plaatsgevonden nadat meer dan anderhalf jaar was verstreken sinds de datum waarop de ziekte is ingetreden. Uit de verslaglegging van het Uwv inzake de contacten met appellant in 2020 en 2021 volgt dat appellant verklaarde dat hij plannen had een onderneming te starten met vrienden en het Uwv daar geen toestemming voor wilde geven. Anders dan appellant heeft aangevoerd, blijkt volgens de rechtbank uit de omstandigheid dat het Uwv hem had geadviseerd in dienstverband te gaan werken, niet dat het Uwv ervan op de hoogte was dat hij dat advies zou hebben opgevolgd. Uit de contacthistorie van het Uwv van zowel voor als na het auto-ongeval in september 2020 blijkt niet dat appellant aan het Uwv heeft medegedeeld dat hij al in dienstbetrekking was getreden van [bedrijf] , hoewel hij daartoe wel de verplichting had op grond van de Wajong. Appellant heeft daarentegen juist verklaard, onder meer nog in 2021, dat hij de wens had in dienstbetrekking te treden.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellant in beroep heeft aangevoerd, niet tot een ander oordeel leidt. De overgelegde arbeidsovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst zijn weliswaar gedateerd op een datum van voor het autoongeval, maar zijn tegenstrijdig met de verklaringen van appellant aan het Uwv in 2020 en 2021 dat hij toen nog niet in dienstbetrekking was. De salarisspecificaties zijn pas op 24 oktober 2022 aan het Uwv overgelegd. De correcties van de aangifte loonheffingen over juni tot en met december 2020 zijn pas opgemaakt op 17 oktober 2022, en derhalve pas na de primaire besluiten. Aan de bijschrijvingen vanaf een rekening van [bedrijf] naar een rekening van appellant onder vermelding dat dit loon/salaris over juni tot en met december 2020 betreft, hoefde het Uwv volgens de rechtbank ook geen betekenis te hechten. Hierbij is van belang dat appellant eerder geen gevolg had gegeven aan het verzoek van het Uwv om bankgegevens over te leggen. De betreffende bankrekening van appellant waar de schermprints van zijn gemaakt is pas in gebruik sinds oktober 2022 en de betreffende betalingen zijn gedaan op 9 en 10 november 2022. Dit is ongeveer twee jaar na de maanden waarover de verplichting tot loonbetaling zou zijn ontstaan. Voor de conclusie dat het Uwv deze bijschrijvingen niet als loon over juni tot en met december 2020 hoeft aan te merken is te meer reden, nu uit de tijdens het handhavingsonderzoek gevorderde bankafschriften is gebleken dat eerder grote bedragen waren overgeboekt van rekeningen op naam van appellant naar rekeningen op naam van [bedrijf] en [eigenaar] , deels onder de vermelding ‘lening’. Nu de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van loon, is zij aan de beoordeling of sprake was van een gezagsverhouding niet toegekomen. Appellant was niet verzekerd op grond van de ZW en de Wet WIA.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de door het Uwv gevorderde bankafschriften onrechtmatig zijn verkregen. In dit verband heeft appellant gewezen op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder heeft appellant zijn standpunt herhaald dat wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Met betrekking tot het loon heeft appellant aangevoerd dat contractueel was overeengekomen dat het salaris na de verbouwing van het pand zou worden betaald. Met betrekking tot de gezagsverhouding heeft appellant aangevoerd dat hij de opdrachten heeft geaccepteerd van [eigenaar] als werkgever en zowel hijzelf als [eigenaar] dit onderschrijven.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het opvragen van bankafschriften
De stelling van appellant dat het Uwv met het opvragen van zijn bankafschriften een inbreuk heeft gemaakt op het recht op respect voor het privéleven, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, wordt niet gevolgd. Appellant is door het Uwv meermalen in de gelegenheid gesteld, waaronder bij de laatste rappelbrief van 8 september 2023, vrijwillig die gegevens over te leggen, alvorens het Uwv is overgegaan tot het vorderen van de gegevens bij de bank, welke bevoegdheid het Uwv ontleent aan onder meer de artikelen 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht en 55a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Privaatrechtelijke dienstbetrekking
Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.
Voor die beoordeling kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Tussen deze omstandigheden bestaat geen volgorde. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
Nu appellant aanvragen heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een ZW en WIA-uitkering, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op een uitkering heeft. Dat betekent dat appellant aannemelijk moet maken dat hij bij [bedrijf] werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst.
Naar het oordeel van de Raad volgt uit de feitelijke omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dat in dit geval geen sprake was van een arbeidsovereenkomst met de daarbij behorende elementen als in 4.1.1 en 4.1.2 bedoeld.
Door appellant zijn twee overeenkomsten ingebracht, getiteld ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘samenwerkingsovereenkomst’. Waarom naast de arbeidsovereenkomst ook nog een samenwerkingsovereenkomst moest worden gesloten heeft appellant niet duidelijk kunnen maken. Daar komt bij dat, hoewel volgens appellant deze overeenkomsten op hetzelfde waren gericht, er onderling verschillen zijn. De datum van indiensttreding in de samenwerkingsovereenkomst, 1 juli 2020, is een andere dan de datum genoemd in de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is ondertekend op 1 augustus 2020 en bepaalt dat appellant met terugwerkende kracht per 22 juni 2020 bij [bedrijf] in dienst treedt. In de arbeidsovereenkomst zijn wezenlijke elementen, zoals het opnemen van vakantie en afspraken over (het melden van en loondoorbetaling bij) ziekte, niet geregeld. Verder is in de arbeidsovereenkomst een bepaling gegeven over de proeftijd die op het moment van ondertekening al was verstreken. In de arbeidsovereenkomst is verder een salaris opgenomen van € 7.900,- bruto. De hoogte van dit salaris is niet in overeenstemming met het gegeven dat appellant geen werkervaring heeft en geen vervolg- of beroepsopleiding heeft afgerond. Appellant heeft toegelicht dat een gedeelte van deze loonsom moest worden gezien als een vergoeding voor de intellectuele eigendom met betrekking tot het op te zetten bedrijf. Dat betekent dat in ieder geval dat gedeelte geen tegenprestatie voor de bedongen arbeid, en dus geen loon is. Op de arbeidsovereenkomst is een cao van toepassing verklaard die op het moment van tekenen al meer dan vier jaar was uitgewerkt. Waarom de keuze voor die cao is gemaakt heeft appellant niet toe kunnen lichten. Over de onkosten en vergoedingen geven de ingebrachte overeenkomsten geen afspraken. Appellant heeft ten aanzien daarvan verschillende en elkaar tegensprekende verklaringen afgelegd. Voorts is in het onderzoeksrapport beschreven dat appellant, na aanvankelijk van het Uwv in augustus 2020 geen toestemming te hebben gekregen om met drie vrienden een bedrijf in tandenbleken te starten, in 2021 in contacten met het Uwv steeds melding heeft gemaakt van zijn plannen om in dienst te gaan treden bij een tandenbleekbedrijf en niet dat hij al in dienstbetrekking werkzaam is of is geweest. Daarbij heeft [eigenaar] appellant pas na meer dan anderhalf jaar na het auto-ongeluk ziekgemeld bij het Uwv. Dit roept vragen op over de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die onbeantwoord zijn gebleven. Bovendien is niet gebleken dat [eigenaar] werkgeversgezag heeft uitgeoefend. De verklaringen van [eigenaar] en appellant daarover zijn niet concreet, terwijl de boekhouder van [bedrijf] heeft verklaard dat [eigenaar] geen actieve rol heeft gehad in het bedrijf. Wat betreft salarisbetalingen zijn eerst eind november 2022 een aantal overboekingen gedaan aan appellant onder de vermelding salaris voor een aantal maanden in 2020. Zoals appellant ter zitting heeft bevestigd, heeft hij de werkgever niet (eerder) verzocht om betaling van het loon. Volgens appellant zou hij pas worden betaald als het bedrijf goed zou lopen en hiervoor financiële ruimte was. Ter zitting heeft hij bevestigd dat hij hiermee bereid was ondernemersrisico te lopen. Hieruit blijkt dat appellant zich niet als werknemer heeft gedragen. Ook past minder bij werknemerschap de omstandigheid dat appellant volgens informatie van de boekhouders van [bedrijf] leningen aan [bedrijf] heeft verstrekt, wat door appellant is bevestigd.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen hem en [bedrijf] , zodat het Uwv terecht de aanvragen van appellant heeft afgewezen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de besluiten tot weigering van de ZW- en de WIA-uitkering in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D.M.A. van de Geijn
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde, werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Ziektewet
Artikel 3
1. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
[…]
Artikel 20
De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 7
1. Verplicht verzekerd is de werknemer.
[…]
Artikel 8
1. Werknemer is de werknemer in de zin van de Ziektewet met uitzondering van de werknemer:
a. die zijn werknemerschap ontleent aan artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van die wet, of
b. die de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
[…]