OVERWEGINGEN
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit en appellante met ingang van 9 december 2022 weer in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering.
Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Van in bezwaar gemaakte kosten is niet gebleken, zodat de Raad moet oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 2.802,-.
Daarnaast komen op grond van artikel 1, sub b, van het Bpb de facturen van het revalidatiecentrum van € 119,61 van 2 oktober 2024 en de huisarts van € 89,90 van 4 oktober 2024 voor vergoeding in aanmerking.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
De griffier is verhinderd te ondertekenen.