ECLI:NL:CRVB:2026:171

ECLI:NL:CRVB:2026:171

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer 24/1756 PW-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Intrekking van bijstand. Te lang verblijf in buitenland. Geen zeer dringende redenen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar medische situatie niet tijdig kon terugkeren naar Nederland, laat staan dat sprake was van een acute noodsituatie. Alleen al hierom was er geen grond voor bijstandverlening met toepassing van art. 16 lid 1 PW.

Uitspraak

24. 1756 PW-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2024, 23/5890 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college)

Datum uitspraak: 10 februari 2026

Zitting heeft: E.J.M. Heijs

Griffier: A.T. Dannenberg

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Voor appellante is verschenen mr. H. Oldenhof, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Ameziane.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het college heeft met een besluit van 15 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 juli 2023 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 24 september 2022 ingetrokken en de verleende bijstand over de periode van 24 september 2022 tot en met 31 december 2022 tot een bedrag van € 3177,42 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante wegens te lang verblijf in het buitenland was uitgesloten van bijstand en dat er geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (PW) zijn om toch bijstand te verlenen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep heeft ingesteld.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 24 september 2022 de maximaal toegestane duur van vier weken verblijf in het buitenland heeft overschreden en dat zij daardoor op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW was uitgesloten van het recht op bijstand. Appellante stelt zich op het standpunt dat het college haar desondanks met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW bijstand had moeten verlenen.

Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het nietverlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit vaste rechtspraak.

Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van zeer dringende redenen, zodat zij voldoet aan de voorwaarden voor bijstandverlening op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW.

De Raad oordeelt met het college en de rechtbank dat appellante daarin niet is geslaagd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar medische situatie niet tijdig kon terugkeren naar Nederland, laat staan dat sprake was van een acute noodsituatie in de hiervoor bedoelde zin. Alleen al hierom was er geen grond voor bijstandverlening met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht krijgt.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) E.J.M. Heijs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NBR-Pw/2026/006 met annotatie van mr. Lance op den Camp
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand