SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2024, 24/558 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 januari 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 6 juni 2022 heeft vastgesteld op 62,44%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Voor appellante is mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als financieel administratief medewerkster voor 39,77 uur per week. Op 4 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 mei 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 62,18%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 juni 2023 aan appellante met ingang van 6 juni 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
Bij besluit van 19 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschikt is bijgesteld naar 62,44%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om de medische beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 november 2023 heeft overwogen dat de pijnklachten van appellante voor een deel aannemelijk te verklaren zijn uit artrotische veranderingen, met name van de handen. Als gevolg hiervan, en ook als gevolg van de klachten van fibromyalgie, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperkte fysieke belastbaarheid aannemelijk geacht. Met de in de FML van 16 mei 2023 aangenomen beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen is daar voldoende rekening mee gehouden. Specifiek is rekening gehouden met de artrose in de handen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat voor zowel de klachten van artrose als die van fibromyalgie, gedoseerd bewegen en actief blijven voor appellante aangewezen is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is verder uitgegaan van een verminderde psychische belastbaarheid en heeft overtuigend gemotiveerd dat er geen reden is om meer beperkingen aan te nemen. Daarbij heeft hij betrokken dat de door appellante, ook tijdens de hoorzitting tentoongespreide afhankelijkheid, niet invoelbaar overkwam, niet herleid kan worden tot een psychische stoornis en niet gelijkgesteld kan worden met een verlies van psychische zelfredzaamheid. Rekening is gehouden met de bijwerkingen van het medicijngebruik door appellante aangewezen te achten op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en beperkt te achten voor beroepsmatig vervoer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat voor een urenbeperking geen aanleiding is. Er is geen sprake van stoornissen waardoor appellante niet voltijds zou kunnen werken. Er is naar het oordeel van de rechtbank tot slot geen grond voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundigen geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Daartegen heeft zij aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de uit haar lichamelijke en psychische klachten voortkomende beperkingen. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat zij slijtage aan haar handen, knieën en voeten, een linkervoetpeesontsteking, astma, hoge bloeddruk, migraine, buikklachten, maagpijn en een traag werkende schildklier en fibromyalgie heeft. Appellante is van mening dat een verdergaande urenbeperking had moeten worden aangenomen, omdat zij drie keer per week naar het revalidatiecentrum gaat en omdat zij vanwege de combinatie van haar klachten behoefte heeft aan rustmomenten. Daarnaast is volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met de bijwerkingen van haar medicijngebruik. Omdat haar beperkingen zijn onderschat, kan zij de geselecteerde functies niet verrichten. Ter zitting heeft appellante de Raad gevraagd om een medisch deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 62,44% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn voor een groot deel een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat de geschiktheid van de geselecteerde functies door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is toegelicht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de beroepsgrond dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen, omdat appellante drie keer per week naar het revalidatiecentrum gaat, niet slaagt. Deze behandeling is immers pas per 14 juli 2023 en dus ruim na de datum in geding gestart. Verder heeft appellante ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd dat zij op de datum in geding verdergaand beperkt was dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een onafhankelijke deskundige.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 62,44% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D.M.A. van de Geijn