Datum uitspraak: 12 januari 2026
23/2034 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 mei 2023, LEE 23/326 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 9 juli 2024 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
[naam echtgenoot] heeft verzet gedaan. In het verzetschrift is aangevoerd dat hij gemachtigd is het hoger beroep namens appellante af te handelen en dat hij een machtiging heeft overgelegd. [naam echtgenoot] stelt dat de brief van 22 maart 2024 (de afwijzing van het beroep op betalingsonmacht), de nota van 27 maart 2024 en de herinnering van 27 april 2024 ten onrechte naar appellante zijn gestuurd, terwijl ze naar hem als gemachtigde gestuurd hadden moeten worden.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 17 november 2025. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Vaststaat dat het griffierecht in hoger beroep niet is betaald. Wat appellante in verzet aanvoert maakt dit niet anders.
Naar aanleiding van een door de echtgenoot van appellante aanvulling op het door appellante ingediende hoger beroep heeft de Raad met een brief van 3 januari 2024 de echtgenoot verzocht een schriftelijke machtiging over te leggen. Bij e-mailbericht van 15 januari 2024 heeft appellante aan dit verzoek gevolg gegeven.
Met een brief van 22 maart 2024 heeft de Raad aan appellante medegedeeld dat de overgelegde machtiging (waarmee beoogd is [naam echtgenoot] te machtigen) niet volstaat omdat deze niet is ondertekend. De Raad heeft verder medegedeeld dat daarom alle correspondentie aan appellante zelf gericht zou worden. Appellante heeft geen reactie gestuurd en geen ondertekende machtiging overgelegd.
Dit betekent dat [naam echtgenoot] niet als gemachtigde kon worden aangemerkt en dat er daarom geen aanleiding was om de in het verzetschrift genoemde brieven aan hem toe te sturen.
Wat in het verzet is aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) H. de Brabander