SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/691 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 maart 2025, 23/1167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante vindt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en een verslechtering tussen 1997 en 2002. De Raad volgt dit standpunt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van eerdere besluitvorming over haar aanvraag om een Wajong-uitkering mocht afwijzen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1979, heeft op 26 november 2013 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 10 januari 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante na haar achttiende verjaardag langdurig fulltime heeft gewerkt en daarmee ten minste 75% van het minimumloon heeft verdiend. Bij een besluit van 19 mei 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 10 januari 2014 gehandhaafd.
Met een door het Uwv op 12 oktober 2020 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Met een besluit van 26 november 2020 heeft het Uwv vervolgens het besluit van 10 januari 2014 gehandhaafd, omdat er geen nieuwe medische informatie in de aanvraag van appellante staat.
Bij besluit van 27 mei 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 november 2020 ongegrond verklaard. In een uitspraak van 20 februari 2023 heeft de rechtbank Limburg het beroep van appellante tegen het besluit van 27 mei 2021 gegrond verklaard wegens een zorgvuldigheidsgebrek, dit besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Bij besluit van 3 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv een nieuw besluit genomen en het door appellante tegen het besluit van 26 november 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht, appellante gezien op spreekuur en de ingebrachte medische informatie kenbaar betrokken bij de beoordeling. Het Uwv heeft terecht opgemerkt dat meer uitgebreid lichamelijk onderzoek weinig toegevoegde waarde zou hebben gehad omdat het gaat om de situatie van appellante destijds. Het Uwv heeft de nog beschikbare medische stukken over de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (medische rapporten van 18 oktober 2002 en 9 december 2002) alsnog toegevoegd aan het dossier. Dat niet alle stukken meer voorhanden waren, komt voor rekening en risico van appellante omdat het gaat om een herhaalde laattijdige aanvraag. Verder heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het medisch onderzoek niet in alle professionaliteit is verricht. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de conclusie dat er geen nova zijn, dat er tussen 1997 en 2002 geen verslechtering van de situatie van appellante op grond van dezelfde ziekteoorzaak was en dat er geen (medische) gegevens zijn aangeleverd waaruit blijkt dat het besluit van 10 januari 2014 onjuist is geweest.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zij niet ervaren als professioneel. Het oriënterend onderzoek is onvoldoende. Appellante voelt zich niet serieus genomen en heeft ter zitting verzocht om benoeming van een deskundige. Ook heeft het Uwv niet alle stukken van de WAO-beoordeling uit 2002 boven tafel weten te krijgen. Verder heeft appellante aangevoerd dat sprake is van nova omdat nu blijkt dat in 2011 zwakbegaafdheid is geconstateerd. Daarnaast is sprake van een verslechtering van haar medische situatie tussen 1997 en 2002, nu is vastgesteld dat sprake is van toegenomen angstklachten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 10 januari 2014 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Van een onzorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet gebleken. Met het oriënterend onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het onderzoek voldoende zorgvuldig, gezien de beoordelingsdatum in 1997 en omdat het gaat om een verzoek om terug te komen van eerdere besluitvorming. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle aanwezige informatie inzichtelijk betrokken bij het onderzoek. Dat de informatie van de WAO-beoordeling in 2002 niet meer geheel beschikbaar is, komt voor risico van appellante omdat zij pas ruim 12 jaar na de WAO-beoordeling een eerste aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft gedaan. Daarbij heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat er een bewaartermijn van tien jaar geldt. Van een verslechtering tussen 1997 en 2002 is verder niet gebleken.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 10 januari 2014. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 4:6 van de Awb
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.