25. 2465 WSF, 25/2509 WSF
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2025, 25/155 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (België) (verzoeker)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-Van Bekkum, voorzieningenrechter
Griffier: J.A. Adjei-Asamoah
Voor verzoeker is verschenen [naam]. Voor de minister is verschenen mr.drs. E.H.A. van den Berg.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Verzoeker heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen, onder meer voor zijn mboopleiding Computer Operator, die hij vanaf 2017 volgde in België. De aanvraag voor studiefinanciering voor die opleiding is, na onderzoek naar de vraag of de opleiding kwalificeerde voor studiefinanciering, in april 2018 toegewezen, waarna een nabetaling is gevolgd. Kennelijk nadat voldoende helderheid was ontstaan over het inkomen van de ouders van verzoeker, is in 2022 voor verzoeker de aanvullende beurs voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2019 vastgesteld. Medio juni 2023 heeft de minister voor verzoeker alsnog een aanvullende beurs berekend over de periode augustus 2015 tot en met en juli 2016 en is het bedrag van de eerder toegekende lening opnieuw berekend over de periode augustus 2015 tot en met december 2016. De aanvullende beurs is grotendeels verrekend met de lening.
2. Verzoeker heeft de minister om schadevergoeding gevraagd omdat de studiefinanciering te laat is toegekend. Hij heeft gewezen op kosten die hij heeft gemaakt om de toekenning geregeld te krijgen (aangetekend verzonden brieven), op reputatieschade en andere immateriële schade, op kosten voor leningen en op problemen met het betalen van de huur in de periode dat hij in België verbleef. Mede als gevolg van moeilijke familieomstandigheden heeft verzoeker geen gemakkelijke periode achter de rug en ook nu heeft hij nog gezondheidsproblemen.
3. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding bij brief van 24 december 2024 afgewezen omdat verzoeker, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet heeft onderbouwd welk nadeel hij heeft gehad van de verlate vaststelling van de studiefinanciering. Ook heeft hij de gestelde kosten niet aangetoond.
4. Hierna heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 108,43 aan wettelijke rente in verband met de vertraagde uitbetaling van de studiefinanciering. Voor het overige heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, omdat verzoeker de gestelde schade niet heeft onderbouwd met verifieerbare en objectieve stukken, hoewel hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Daarnaast vloeit volgens de rechtbank een deel van de schade niet voort uit het onrechtmatige besluit.
5. In hoger beroep heeft verzoeker te kennen gegeven dat emotionele schade en reputatieschade naar hun aard moeilijk met bewijsstukken kunnen worden onderbouwd. Verder blijkt uit de correspondentie met DUO dat aanzienlijke inspanning, tijd en kosten zijn gemaakt.
6. Hoe vervelend de situatie voor verzoeker ook moet zijn geweest, dat neemt niet weg dat vergoeding van eventueel geleden schade pas aan de orde kan zijn als die schade op zijn minst van enige onderbouwing is voorzien. De voorzieningenrechter moet vaststellen dat de schade die verzoeker zegt te hebben geleden en die hij vergoed wil zien, op geen enkel moment in de procedure is onderbouwd met enig objectief bewijs. Of en hoe die schade is geleden kan dus niet worden vastgesteld. Ook is niet op voorhand aannemelijk dat er voldoende causaal verband bestaat tussen de beweerdelijk geleden schade en de besluitvorming van de minister. Als er al van zou moeten worden uitgegaan dat de besluitvorming van de minister onrechtmatig is geweest, dan kan, bij gebreke van onderbouwing van andere schade, worden vastgesteld dat de schade wegens vertraagde uitbetaling met de toekenning van de wettelijke rente wordt geacht volledig te zijn vergoed.
7. Het hoger beroep slaagt dus niet. Daarom is er ook geen aanleiding een voorziening te treffen.
8. Omdat verzoeker geen gelijk krijgt, hoeft de minister geen griffierecht en proceskosten te vergoeden.
Waarvan proces-verbaal,
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah (getekend) M.A.H. van Dalen-Van Bekkum