ECLI:NL:CRVB:2026:297

ECLI:NL:CRVB:2026:297

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 25/843 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Verlaging WAO-uitkering terecht. Herbeoordeling. Geen fictief tweede recht van toepassing. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Aanpassing FML. De geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid van appellant niet.

Uitspraak

25/843 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/843 WAO

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 maart 2025, 24/2672 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 februari 2023 heeft verlaagd. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen door zijn klachten, dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WAO-uitkering heeft verlaagd.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant is in het verleden werkzaam geweest als procesoperator verzinklijn bij (thans genaamd) [naam B.V.]. voor 33,60 uur per week. Op 12 september 2000 is hij uitgevallen voor zijn werk ten gevolge van een bedrijfsongeval met vloeibaar zink, waardoor hij ernstige brandwonden aan zijn voet en onderbeen heeft opgelopen. Met ingang van 11 september 2001 heeft het Uwv aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. In 2017 heeft appellant een motorongeluk gehad, waardoor bij hem whiplash-, knie- en schouderklachten zijn ontstaan.

Appellant is bij zijn werkgever in dienst gebleven als administratief medewerker voor 23,22 uur per week. Het Uwv heeft in verband met de inkomsten van appellant uit deze arbeid de WAOuitkering van appellant met toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Op 29 januari 2019 heeft appellant zich ziekgemeld. In juni 2022 heeft een herbeoordeling in het kader van artikel 39c van de WAO plaatsgevonden. In dit kader heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de beperkingen van appellant zijn toegenomen en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juni 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn maatgevende arbeid als procesoperator verzinklijn. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 55,28%. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat het loonverlies ten aanzien van het fictief tweede recht in verband met uitval van appellant voor zijn werkzaamheden als administratief medewerker minder is dan 15% en daarom geen fictief tweede recht van toepassing is.

Het Uwv heeft bij besluit van 21 december 2022 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 februari 2023 verlaagd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%.

Bij besluit van 10 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2022 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er onvoldoende grond is om het primaire oordeel te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 26 februari 2024 een nieuwe FML opgesteld, die echter inhoudelijk niet verschilt van de FML van 15 juni 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies en heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd vastgesteld op 55,28%. Met betrekking tot het fictief tweede recht heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het arbeidsongeschiktheidspercentage opnieuw vastgesteld op 0,00%.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en dat de conclusies voldoende zijn gemotiveerd.

Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat appellant op het spreekuur bij de verzekeringsarts psychisch en lichamelijk is onderzocht en dat op basis hiervan beperkingen zijn vastgesteld. In bezwaar heeft appellant meegedeeld dat een spreekuur niet nodig is en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn beoordeling alle beschikbare medische informatie betrokken. Ook is daarbij betrokken de bij appellant verrichte onderzoeken door het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten uit 2013, waarbij geen cognitieve stoornissen zijn vastgesteld en is geconcludeerd dat er geen aanwijzing is voor Chronische Toxische Encephalopathie (CTE). Appellant heeft in beroep geen objectieve medische informatie ingebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de conclusies van de verzekergingsgeneeskundige onderzoeken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant, gelet op zijn beperkingen als weergegeven in de FML, in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De enkele stelling van appellant dat hij deze functies niet kan verrichten heeft de rechtbank onvoldoende geacht om tot een andere conclusie te komen.

Het standpunt van appellant

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat hij door langdurig onbeschermde blootstelling aan oplosmiddelen en chroom6 in zijn werk bij [naam B.V.]. gezondheidsschade heeft opgelopen en dat dit onvoldoende door het Uwv wordt erkend. Ook het bedrijfsongeval met ernstige verbrandingsschade aan zijn voet en de knieklachten als gevolg van het motorongeluk zijn onvoldoende meegewogen volgens appellant.

Verder is appellant uitgebreid ingegaan op andere procedures die hij heeft gevoerd, waaronder een ontslagzaak, een letselschadezaak en een tuchtzaak. Daarnaast heeft appellant een usb-stick en oude werkbroek uit de periode 1990-1998 aan de Raad gestuurd.

Het standpunt van het Uwv

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

De primaire verzekeringsarts heeft appellant op vele beoordelingspunten in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen beperkt dan wel sterk beperkt geacht. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee de beperkingen van appellant heeft onderschat. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nadere medische stukken die betrekking hebben op zijn gezondheidssituatie op de datum in geding ingediend.

De Raad heeft op 15 januari 2026 zonder nadere toelichting een usb-stick met gespreksverslagen/enkele documenten en werkkleding (broek) van appellant ontvangen. Appellant is vervolgens ook niet ter zitting verschenen. Zonder nadere toelichting kan de relevantie van deze door appellant ingebrachte stukken voor deze zaak niet worden beoordeeld. Het emailbericht van appellant van 27 januari 2026 is slechts één dag voor de zitting ontvangen en dus ruim na aanvang van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad laat daarom dit stuk buiten beschouwing, omdat de goede procesorde zich daartegen verzet.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verlaging van de WAO-uitkering in stand blijft.

6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) J. Bonnema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand