ECLI:NL:CRVB:2026:299

ECLI:NL:CRVB:2026:299

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 26/179 PW-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Reële dreiging uithuiszetting. Intrekking van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inschrijving(en) KvK. Met het college is ter zitting besproken dat de enkele registratie van een of meerdere ondernemingen in de KvK nog niet betekent dat daarmee ook aannemelijk is gemaakt dat verzoeker in te de beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht dan wel in verband daarmee inkomsten heeft genoten waardoor verzoeker geen of minder recht op bijstand heeft, althans het recht niet kan worden vastgesteld. Het college heeft ter zitting niet kunnen toelichten op grond van welke feiten en omstandigheden in de te beoordelen periode aannemelijk is dat er sprake is geweest van inkomsten dan wel van op geld waardeerbare activiteiten. Als er al sprake is van schending van de inlichtingenverplichting heeft het college nog niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Uitspraak

26. 179 PW-VV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

Datum uitspraak: 10 maart 2026

Zitting heeft: E.C.E. Marechal

Griffier: R.R. Olde Engberink

Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Chang Shang Min en mr. S. Martens.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Met een besluit van 19 mei 2025 heeft het college de bijstand van verzoeker op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) met ingang van 1 april 2025 ingetrokken. Met een besluit van 5 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 19 mei 2025 ongegrond verklaard en de grondslag van de intrekking gewijzigd naar artikel 54, derde lid, van de PW.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft met een uitspraak van 14 januari 2026, 25/6228 en 25/7463, een verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

4. De voorzieningenrechter is bevoegd om op verzoek een voorlopige voorziening te treffen als is voldaan aan de voorwaarde dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

In deze zaak is voldoende gebleken van een actueel spoedeisend belang. Verzoeker heeft dat belang zo toegelicht dat er sprake is van een dreigende uithuiszetting in verband met een huurachterstand vanaf september 2025 en heeft daartoe een dagvaarding overgelegd voor de zitting bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van morgen, 11 maart 2026.

Maar alleen een actueel spoedeisend belang is niet voldoende om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter moet alle betrokken belangen afwegen bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Daarbij is ook van belang of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die hoofdzaak.

In dit geval is er een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2026 niet in stand blijft. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 april 2025 tot en met 19 mei 2025. Volgens het college heeft verzoeker over deze periode de inlichtingenverplichting geschonden en kan als gevolg daarvan het recht op bijstand niet vastgesteld worden. Het college stelt dat sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting, omdat verzoeker verschillende ondernemingen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) op zijn naam heeft staan, hij op 13 mei 2025 een nieuwe onderneming in het handelsregister van de KvK heeft ingeschreven, hij voor zijn ondernemingen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en hij daaruit een inkomen heeft genoten. Omdat verzoeker geen inzicht heeft gegeven in de aard en omvang van die activiteiten en de inkomsten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, verzoeker gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.

De vraag is of het op naam hebben of zetten van bedrijven in het handelsregister van de KvK een schending van de inlichtingenverplichting in de te beoordelen periode oplevert. Daarbij is van belang dat de meeste ondernemingen van verzoeker ruim voor die periode zijn opgericht en al bij het college bekend waren. Verzoeker heeft daarnaast toegelicht dat hij de op 13 mei 2025 ingeschreven onderneming bij een aanvraag om een Bbz-uitkering wel zelf bij het college heeft gemeld. Deze vraag kan echter in het midden blijven. Met het college is ter zitting besproken dat de enkele registratie van een of meerdere ondernemingen in de KvK nog niet betekent dat daarmee ook aannemelijk is gemaakt dat verzoeker in te de beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht dan wel in verband daarmee inkomsten heeft genoten waardoor verzoeker geen of minder recht op bijstand heeft, althans het recht niet kan worden vastgesteld. Het college heeft ter zitting niet kunnen toelichten op grond van welke feiten en omstandigheden in de te beoordelen periode aannemelijk is dat er sprake is geweest van inkomsten dan wel van op geld waardeerbare activiteiten. Het dossier geeft er ook geen blijk van dat het college hiernaar onderzoek heeft gedaan. De feiten en omstandigheden die in de bestreden besluitvorming aan de intrekking ten grondslag zijn gelegd dateren van ruime tijd voor de te beoordelen periode. Als er al sprake is van schending van de inlichtingenverplichting heeft het college dus nog niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Aangezien verder niet is gebleken van in aanmerking te nemen inkomen of vermogen en gezien de reële en urgente dreiging van uithuiszetting heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien om een voorlopige voorziening te treffen zoals weergegeven onder het dictum.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzieningenrechter

(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) E.C.E. Marechal

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand