OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 7 januari 2021 en het besluit van 16 maart 2021 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opdracht gegeven om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen over de benodigde voorzieningen voor jeugdhulp met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en het college opgedragen het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.
3. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Zij heeft zich hierbij met name gekeerd tegen de vaststelling door de rechtbank van de omvang van de immateriële schadevergoeding.
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 6 februari 2025 het nadere besluit genomen. Met dit besluit heeft het college aan appellante jeugdhulp toegekend voor een bedrag van € 21.554,-. Dit bedrag, samen met eerder toegekende bedragen voor jeugdhulp, stelt appellante in staat om alle aan het college bekendgemaakte nota’s te voldoen.
5. Ter zitting heeft gemachtigde namens appellante medegedeeld dat zij de gronden tegen de aangevallen uitspraak niet langer handhaaft en het hoger beroep intrekt.
6. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellante niet is ingetrokken als gevolg van een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Het college heeft met het nadere besluit uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep stond hier los van. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
(getekend) C.W.C.A Bruggeman
(getekend) F.M. Gerritsen