24/2636 WAJONG
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2636 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 november 2024, 24/4992 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv appellant terecht een Wajong-uitkering heeft toegekend per 15 november 2023. Volgens appellant heeft hij per 20 december 2009 recht op een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellant terecht per 15 november 2023 een Wajong-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz en psycholoog [X]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1977, heeft met een door het Uwv op 20 december 2010 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het Uwv de aanvraag om Wajong-uitkering buiten behandeling gesteld. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Appellant heeft met een door het Uwv op 15 november 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 7 juli 2022, gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2023 (bestreden besluit), heeft het Uwv vervolgens appellant een Wajong-uitkering op grond van de Wajong 2015 toegekend per 15 november 2023.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering heeft toegekend met ingang van 15 november 2023. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel la:11, eerste en tweede lid, van de Wajong 2015, het recht op een Wajong-uitkering op aanvraag wordt vastgesteld en dat de uitkering niet eerder dan op de aanvraagdatum kan ontstaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van 15 november 2023 terecht niet ook heeft beoordeeld als een verzoek om terug te komen op het besluit van 17 februari 2011. Omdat de eerdere aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling is gesteld, is geen sprake van een eerder afwijzend besluit en is op grond van vaste rechtspraak artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing. Voor een beoordeling van de stelling van appellant dat zijn eerdere aanvraag van 16 december 2010 met het besluit van 17 februari 2011 ten onrechte buiten behandeling is gelaten, is in deze procedure geen plaats. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt, omdat appellant niet heeft toegelicht waarom het bestreden besluit leidt tot een onevenredig resultaat. Voor zover appellant een beroep heeft willen doen op de hardheidsclausule, kan dit naar het oordeel van de rechtbank ook niet slagen. Appellant is immers feitelijk in staat gebleken om een aanvraag te doen, gelet op de aanvraag die hij op 16 december 2010 heeft gedaan. Omstandigheden die zich tussen de eerste aanvraag en de tweede aanvraag hebben voorgedaan waaruit volgt dat appellant toen niet in staat was een aanvraag in te dienen én het Uwv bovendien kennis had kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake is van een recht op een Wajong-uitkering, heeft appellant niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken.
Het standpunt van appellant
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat zijn aanvraag van 20 december 2010 ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Appellant heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad er op gewezen dat een aanvraag naar zijn strekking moet worden opgevat. Appellant heeft met zijn door het Uwv op 15 november 2023 ontvangen aanvraag uitdrukkelijk beoogd zowel een Wajong-uitkering te verkrijgen met betrekking tot het verleden als met betrekking tot het moment van de aanvraag. Appellant heeft gesteld dat hij met het expertiserapport van psycholoog [X] nieuwe feiten en veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die reden hadden moeten zijn om terug te komen van het eerdere besluit van 17 februari 2011. Appellant is van mening dat aan hem daarom op grond van de Wajong 2010 met ingang van 20 december 2009, een jaar voor de toenmalige aanvraagdatum, een Wajong-uitkering had moeten worden toegekend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere rapporten van 16 juni 2025 en 24 juni 2025 van psycholoog [X] overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de aan appellant per 15 november 2023 toegekende Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Partijen houdt verdeeld de vraag of er aanleiding bestaat om de Wajong-uitkering per een eerdere datum toe te kennen dan 15 november 2023.
Wajong 2015 van toepassing
In geschil daarbij is of het Uwv de aanvraag van 27 januari 2021 terecht heeft opgevat als een nieuwe – inhoudelijk te beoordelen – aanvraag en in het verlengde daarvan deze aanvraag terecht heeft getoetst aan de voorwaarden van de Wajong 2015.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn uitkering op grond van de Wajong 2010 had moeten ingaan één jaar voordat hij zijn eerste aanvraag op 20 december 2010 heeft ingediend en dat het Uwv zijn aanvraag ten onrechte heeft getoetst aan de voorwaarden van de Wajong 2015. De Raad volgt dit standpunt niet.
De aanvraag van 15 november 2023 kan niet anders worden opgevat dan als een aanvraag om een Wajong 2015-uitkering. De aanvraag bevat geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat deze ook een verzoek om terug te komen van de buitenbehandelingstelling in 2011 behelst. Het Uwv heeft de aanvraag dan ook terecht in die zin opgevat, en daarop beslist bij het bestreden besluit. De rechtbank heeft terecht, zij het op andere gronden, overwogen dat de beoordeling in dit geding beperkt is tot het besluit op de aanvraag van 15 november 2023. Het Uwv heeft de aanvraag van 15 november 2023 terecht aangemerkt als een nieuwe aanvraag en deze terecht getoetst aan de voorwaarden van de Wajong 2015.
Artikel 1a:11 van de Wajong
Artikel 1a:11 van de Wajong luidt, voor zover van belang, als volgt:
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt op aanvraag vast of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat.
2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag waarop de aanvraag, bedoeld in dit artikel, werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene achttien jaar wordt.
3. (….)
4. Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve toe te kennen.
Uit de tekst en wetgeschiedenis van artikel 1a:11 van de Wajong volgt dat het recht op een Wajong-uitkering op aanvraag wordt vastgesteld en dat het recht op uitkering niet eerder dan op de aanvraagdatum kan ontstaan. In gevallen waarin het niet of te laat doen van een aanvraag zou leiden tot kennelijk hardheid, geeft het vierde lid aan het Uwv de bevoegdheid het recht op uitkering in afwijking van het eerste lid ook ambtshalve (dus zonder aanvraag) vast te stellen en toe te kennen. Er kunnen zich blijkens de wetsgeschiedenis omstandigheden voordoen waarbij het doen van een aanvraag als voorwaarde om het recht op een Wajonguitkering te kunnen vaststellen, leidt tot een kennelijke hardheid. Daarbij is door de wetgever bijvoorbeeld gedacht aan situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen.
Over de ingangsdatum van een ambtshalve toegekende uitkering heeft de Raad in zijn uitspraak van 1 mei 2024 overwogen dat die datum wordt vastgesteld op het moment waarop het Uwv kennis heeft kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake is van een recht op Wajong-uitkering en de voorwaarde van het doen van een aanvraag (op dat moment) leidt tot een kennelijke hardheid. Het toekennen van een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vóór het moment waarop het Wajong-recht met toepassing van het vierde lid ambtshalve had moeten worden vastgesteld, is niet mogelijk.
Gelet op wat onder 4.6 en 4.7 is overwogen gaat het bij de toepassing van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong om een situatie waarin het vasthouden aan het vereiste van het doen van een aanvraag leidt tot kennelijke hardheid. Dit betreft geen algemene hardheidsclausule op grond waarvan de ingangsdatum kan worden vervroegd. Het Uwv heeft terecht gesteld dat in dit geval geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong.
Het standpunt van appellant onder verwijzing naar de rapporten van [X] komt er in de kern op neer dat het Uwv bij de buitenbehandelingstelling van zijn eerdere aanvraag van 20 december 2010 heeft nagelaten toepassing te geven aan de in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong gegeven bevoegdheid om het recht op Wajong-uitkering ambtshalve vast te stellen. De Raad volgt appellant niet in dit standpunt. Nog los van het feit dat dat artikel in 2010 nog niet bestond, beschikte het Uwv toen immers niet over medische informatie om te veronderstellen dat appellant aan de criteria voor een Wajong-uitkering zou voldoen. Zoals de rechtbank bovendien heeft overwogen is appellant in 2010 in staat geweest om een aanvraag in te dienen. Verder is appellant in staat gebleken vanaf zijn achttiende jaar een bijstandsuitkering aan te vragen. Gelet hierop doet zich geen omstandigheid voor waarbij het vasthouden aan het vereiste van het doen van een aanvraag leidt tot een kennelijke hardheid.
Gelet op wat overwogen is in 4.5 tot en met 4.9 doet zich de situatie van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong in het geval van appellant niet voor. Het Uwv heeft daarom terecht de Wajong-uitkering niet eerder dan per 15 november 2023 toegekend.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van Wajong-uitkering per 15 november 2023 in stand blijft. Dit betekent ook dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.K.F. Ouwehand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
(getekend) E.W. Akkerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen