SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/679 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 maart 2025, 23/3414 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 14 februari 2024 heeft beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant is het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest en heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Voor appellant is mr. Grégoire verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als pakketbezorger voor 40 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 9 augustus 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 23 november 2022 appellant met ingang van 9 februari 2023 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellant onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
[naam B.V.], de ex-werkgever van appellant, heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 juni 2023. De arbeidsdeskundige heeft geen functies voor appellant kunnen selecteren.
De ex-werkgever heeft op de rapporten van de arts en arbeidsdeskundige gereageerd en daaraan het advies van een medisch adviseur ten grondslag gelegd. Appellant heeft nadere medische informatie overgelegd, waaronder informatie van de huisarts en van het Rughuis. De arts van het Uwv heeft vervolgens een aanvullend onderzoek verricht en op 18 september 2023 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft drie functies voor appellant geselecteerd. Het Uwv heeft vervolgens op 3 oktober 2023 het voornemen geuit de beslissing van 23 november 2022 te wijzigen, in die zin dat de WIA-uitkering van appellant per 4 december 2023 wordt beëindigd.
Appellant heeft een zienswijze over het voornemen naar voren gebracht. Daarnaast heeft hij op 15 november 2023 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
Het Uwv heeft op 2 januari 2024 (bestreden besluit) beslist op het bezwaar. Het Uwv heeft daarbij het door de ex-werkgever gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de WIA-uitkering van appellant per 14 februari 2024 beëindigd. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit nietontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Over de niet-ontvankelijkverklaring heeft de rechtbank overwogen dat de beslistermijn niet ten onrechte is verlengd, omdat de exwerkgever (als indiener van het bezwaarschrift) hiervoor steeds toestemming heeft gegeven en appellant niet in zijn belangen is geschaad. Dit betekent dat het Uwv uiterlijk op 9 januari 2024 op het bezwaar moest beslissen en de ingebrekestelling te vroeg is ingediend. Over het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat de medische rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. In beroep heeft appellant geen nieuwe of andere medische gegevens overgelegd. Appellant heeft geen inhoudelijk argument aangevoerd, maar zich alleen op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit standpunt heeft hij echter niet onderbouwd, waardoor de rechtbank hieraan voorbij is gegaan. Er is geen sprake van strijd met het verbod van reformatio in peius, omdat volgens vaste rechtspraak een in de bezwaarfase vastgestelde verslechtering van de rechtspositie per toekomende datum mag worden geëffectueerd, indien het Uwv ook los van het ingediende bezwaar bevoegd is de uitkering van de verzekerde per een toekomende datum in te trekken of te verlagen op de grond dat hij of zij niet (langer) of minder arbeidsongeschikt is. Anders dan appellant meent, was er voor het Uwv geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in bezwaar. Het is de rechtbank tot slot niet gebleken dat het arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Dit betekent dat het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant heeft beëindigd per 14 februari 2024.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de ex-werkgever een innerlijk tegenstrijdig standpunt heeft ingenomen: enerzijds is volgens de ex-werkgever sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en anderzijds is appellant niet arbeidsongeschikt. Daarnaast heeft het Uwv van het bezwaar van de ex-werkgever een tweede primaire beoordeling gemaakt. Hierdoor is sprake van strijd met het verbod op reformatio in peius, omdat de ex-werkgever in bezwaar het recht op uitkering nog kon bestrijden. Verder is appellant het niet eens met het oordeel van de rechtbank over de verlenging van de beslistermijn. Ook is het medisch onderzoek onzorgvuldig. Het kan niet zo zijn dat iemand eerst volledig arbeidsongeschikt is en daarna niet meer, terwijl de medische situatie hetzelfde is gebleven. Tot slot is onduidelijk waarom alleen de ex-werkgever een proceskostenvergoeding heeft gekregen. De proceskosten van appellant hadden ook moeten worden vergoed, omdat de beëindigingsdatum is opgeschoven.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Appellant heeft zich in hoger beroep grotendeels beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad maakt het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen tot het zijne. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Het Uwv heeft ter zitting uitgelegd dat gebruikelijk is dat aan een omzettingsbesluit geen medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat, wanneer geen van de partijen bezwaar maakt, wordt aangenomen dat de medische situatie nog hetzelfde is gebleven. Het staat partijen, dus ook de ex-werkgever, vrij om hiertegen bezwaar te maken. In dat geval wordt alsnog een actueel medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. In het geval van appellant heeft zijn ex-werkgever bezwaar gemaakt tegen het ontbreken van een medisch onderzoek en vervolgens aanvullende gronden ingediend. Daarbij heeft de ex-werkgever een medisch adviseur ingeschakeld, die heeft betoogd dat de FML van 16 juni 2023 niet juist is. Dit heeft geleid tot een aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% zou moeten zijn. Vervolgens zijn appellant en zijn ex-werkgever op de hoogte gesteld van de voorgenomen beslissing om de WIA-uitkering te beëindigen. Beiden hebben vervolgens een zienswijze naar voren gebracht. De zienswijze van appellant heeft niet geleid tot een verandering van het voorgenomen besluit. Anders dan appellant heeft gesteld, is deze gang van zaken niet onzorgvuldig.
Van reformatio in peius is geen sprake, omdat niet appellant maar zijn ex-werkgever bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 november 2022. Bovendien heeft het Uwv met inachtneming van artikel 117, eerste lid van de Wet WIA op de bezwaren beslist en de uitkering per toekomende datum beëindigd.
Verder wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat aan hem ten onrechte geen vergoeding voor in bezwaar gemaakte kosten is toegekend, terwijl de ex-werkgever deze wel heeft ontvangen. Het Uwv heeft terecht alleen de proceskosten van de ex-werkgever vergoed, nu als gevolg van het bezwaar het rechtsgevolg van het primaire besluit van 23 november 2022 is gewijzigd. Waar het Uwv in eerste instantie appellant een WIAuitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% had toegekend, is de uitkering na bezwaar beëindigd wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellant heeft als derde-belanghebbende weliswaar een zienswijze ingediend, maar deze heeft niet geleid tot een ander rechtsgevolg. Dit betekent dat geen aanleiding bestond voor het vergoeden van de kosten van appellant.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank over de verlenging van de beslistermijn en maakt het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. Appellant heeft in hoger beroep weliswaar gesteld dat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank, maar hij heeft geen redenen gegeven waarom dit niet kan worden gevolgd.
De grond van appellant dat de ex-werkgever een innerlijk tegenstrijdig standpunt heeft ingenomen, slaagt niet. Het staat een ex-werkgever vrij om in bezwaar aan te voeren waarom hij het niet eens is met het besluit van het Uwv. Dat een ex-werkgever ervoor kiest om eerst een primair standpunt en vervolgens een subsidiair standpunt in te nemen, zoals hier het geval is, maakt dat niet anders.
Medische beoordeling
Tot slot heeft appellant, onder verwijzing naar een brief van orthopedisch chirurg dr. Mazher Jadaan van de Syrian Medical Association van 14 oktober 2025, aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat, omdat zijn medische situatie hetzelfde is gebleven en er in bezwaar toch minder beperkingen zijn aangenomen. De Raad volgt appellant hierin niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft namelijk in het rapport van 18 september 2023 inzichtelijk gemotiveerd waarom is afgeweken van het medisch oordeel van de primaire verzekeringsarts. Zo zijn er minder beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, omdat uit informatie van de GGZ volgt dat de behandeling voor PTSS succesvol is verlopen en geen sprake meer is van deze diagnose. Er is verder geen sprake van een aandoening als autisme/ADHD, ernstige persoonlijkheidsproblematiek, een verstandelijke beperking of epilepsie die aanleiding zou moeten geven tot het aannemen van meer beperkingen. Ook voor wat betreft de fysieke belastbaarheid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd waarom de aanvankelijk aangenomen beperkingen te fors zijn aangezet. Bij appellant is geen sprake van structurele nekafwijkingen, hij heeft geen nekklachten geclaimd en bij lichamelijk onderzoek is een volstrekt normale nekfunctie geconstateerd. Er is ook geen sprake van structurele schouder- of handproblematiek, waarvoor een beperking voor schroefbewegingen met hand of arm zou moeten worden aangenomen. Vanwege de bij appellant gediagnosticeerde somatische symptoomstoornis met milde afwijkingen is juist belangrijk dat appellant geactiveerd wordt en in beweging blijft, waarbij forse rug- en kniebelastende werkzaamheden vermeden dienen te worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd. Dat in 2025 een hernia is geconstateerd, doet hier niet aan af. De brief van de orthopedisch chirurg dateert immers van na de datum in geding en niet is gebleken dat hier op de datum in geding ook al sprake van was.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft. In het voorgaande ligt besloten, dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D.M.A. van de Geijn