ECLI:NL:CRVB:2026:317

ECLI:NL:CRVB:2026:317

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer 25/695 WAJONG
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering om terug te komen van het besluit van 14 juni 2019 tot weigering aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Geen toegenomen beperkingen gedurende vijf jaar na haar achttiende verjaardag.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/695 WAJONG

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 februari 2025, 23/887 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 maart 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 14 juni 2019, waarin het Uwv weigerde appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er ten opzichte van het besluit van 14 juni 2019 geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat het Uwv van dat besluit moest terugkomen. Daarnaast is geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid en bestaat geen aanleiding om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 14 juni 2019. Het Uwv heeft de Wajong-aanvraag van 18 maart 2022 daarom terecht afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W.M. Mans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Voor appellante is mr. Mans verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 2001, heeft met een door het Uwv op 1 februari 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante een verstandelijke beperking, spraak- en gehoorproblemen en een slechte motoriek heeft. Bij de aanvraag is onder meer informatie gevoegd van een psycholoog en een logopedist. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 14 juni 2019 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is op [geboortedatum] 2020 ongegrond verklaard.

Appellante heeft op 18 maart 2022 opnieuw een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om het besluit van 2019 te herzien. Met een besluit van 1 juni 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen.

Bij besluit van 8 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante bij haar aanvraag stukken heeft overgelegd die zien op de situatie voor haar achttiende verjaardag en geen wezenlijk andere informatie bevatten dan al in de eerste aanvraagprocedure bekend was over de beperkingen van appellante. Het Uwv heeft zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verder heeft de rechtbank overwogen dat in wat appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat sprake is van toegenomen beperkingen. Appellante heeft niet met objectief medische gegevens onderbouwd dat haar rugklachten en de daarmee samenhangende beperkingen in de voor deze beoordeling relevante periode zijn toegenomen. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van opvolgend huisarts Woudstra op 27 februari 2023 terecht bij zijn beoordeling betrokken heeft en zich niet beperkt heeft tot de verklaring van voormalig huisarts Hellemons. Van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hoefde evenmin verlangd te worden nog nadere informatie in te (laten) winnen bij voormalig huisarts Hellemons. De ter zitting overgelegde verwijzing naar het wervelkolomcentrum zegt verder als zodanig nog niets over de gezondheidssituatie van appellante, zodat dit stuk geen relevante onderbouwing vormt van het standpunt dat haar rugklachten in de periode in geding verslechterd zijn.

De rechtbank heeft geoordeeld dat uit wat appellante heeft aangevoerd niet blijkt dat haar gezondheidssituatie ten tijde van het besluit van 14 juni 2019 niet juist is ingeschat en het oorspronkelijke besluit onjuist was. Het is duidelijk dat appellante behoorlijke, met name verstandelijke beperkingen heeft, maar dat maakt niet dat destijds ten onrechte is beslist dat appellante ten tijde van die beoordeling arbeidsvermogen heeft.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat hetgeen namens appellante naar voren is gebracht, niet maakt dat de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv zich niet had moeten beperken tot de vraag of sprake is van nieuwe feiten. Appellante beschikt niet over arbeidsvermogen. Volgens het Uwv is sprake van een lichte verstandelijke beperking, terwijl het gaat om een matige tot ernstige verstandelijke beperking. Verder is het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Er is geen medisch onderzoek uitgevoerd. Pas op 12 januari 2023 is er een spreekuur geweest. De anamnese is geheel via de stiefmoeder verlopen, maar de verzekeringsarts heeft hier geen overweging aan gewijd. De verzekeringsarts heeft ook ten onrechte geen nadere informatie ingewonnen bij de voormalig huisarts van appellante. De verklaring van 23 november 2022 van deze huisarts is ten onrechte terzijde geschoven. Verder is de medische situatie van appellante na de eerste aanvraag verslechterd, omdat sprake is van een toename van rugklachten door scoliose. Tot slot is de afwijzing evident onredelijk.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen op de afgewezen Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en informatie opgevraagd bij de behandelend sector. Daarnaast is appellante op 12 januari 2023 op het spreekuur geweest, waarvan een verslag is opgesteld. Daaruit volgt dat de stiefmoeder van appellante het gesprek heeft gevoerd. Anders dan appellante heeft bepleit, volgt uit het dossier dat niet alleen informatie is opgevraagd bij huisarts Woudstra, maar ook bij voormalig huisarts Hellemons. Enkel huisarts Woudstra heeft hierop gereageerd. Appellante heeft in bezwaar overigens zelf een verklaring van haar voormalig huisarts overgelegd, die de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling heeft betrokken.

De Raad heeft eerder geoordeeld dat een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering, naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb), dan wel een beroep wordt gedaan op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid, ofwel om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).

Het verzoek van appellante van 18 maart 2022 strekt ertoe dat het Uwv voor zowel het verleden als de toekomst terugkomt van het besluit van 14 juni 2019 (oorspronkelijk besluit), welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Daarnaast heeft zij een beroep gedaan op de zogeheten regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid gedurende vijf jaar na haar achttiende verjaardag.

Verzoek om terug te komen van het besluit van 14 juni 2019 (verleden)

Op het verzoek van appellante van 18 maart 2022 heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellante ingediende (medische) stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Dat volgens appellante haar verstandelijke beperking ernstiger is dan het Uwv heeft aangenomen, is niet aan te merken als een nieuw feit. Het in hoger beroep overgelegde ontwikkelingsperspectief van de Parkschool van 23 november 2018, waaruit dit volgens appellante blijkt, is ook al overgelegd bij de eerste aanvraag uit 2019 en dus al betrokken bij de beoordeling. Dat uit het indicatiebesluit van het Centrum indicatiestelling zorg van 11 juli 2017 volgt dat appellante ADL-afhankelijk is, is evenmin aan te merken als een nieuw feit. Ook dit gegeven was immers al bekend en is eveneens bij de beoordeling betrokken.

In wat appellante heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Terugkomen voor de toekomst (duuraanspraak)

De rechtbank kan daarnaast worden gevolgd in het oordeel dat niet blijkt dat de gezondheidssituatie van appellante ten tijde van het besluit van 14 juni 2019 niet juist is ingeschat en dit oorspronkelijke besluit onjuist was. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen.

Toegenomen arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat haar beperkingen zijn toegenomen, zodat zij alsnog aan de voorwaarden voor de Wajong 2015 voldoet. Deze grond slaagt niet. Appellante heeft weliswaar gesteld dat zij meer rugklachten heeft, maar een medische onderbouwing hiervoor ontbreekt. Ter zitting heeft appellante erkend dat er, behalve de verwijzing naar het wervelkolomcentrum uit 2015, geen nadere medische onderbouwing voor haar klachten is. Daarbij komt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 21 december 2022 inzichtelijk heeft gemotiveerd dat, gelet op de informatie van de huisarts, niets bekend is over de rugklachten van appellante en evenmin over een eventuele achteruitgang van de intellectuele vermogens van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?