21/1593 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
21/1593 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2021, 20/1649 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 maart 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 30 juni 2018 terecht heeft beëindigd omdat hij meer dan 65% kan verdienen van zijn maatmanloon. De Raad heeft zowel een deskundige neuroloog als een deskundige verzekeringsarts geraadpleegd. De geraadpleegde deskundige verzekeringsarts heeft vastgesteld dat het Uwv de beperkingen in de FML juist heeft vastgesteld en dat geen sprake is van excessief ziekteverzuim. De Raad heeft de deskundige verzekeringsarts gevolgd. Dit betekent dat de ZW-uitkering van appellant terecht per 30 juni 2018 is beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W.M. Kromme, advocaat, hoger beroep ingesteld en (medische) stukken ingestuurd.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kromme. Het Uwv heeft zich (via beeldbellen) laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
De Raad heeft het onderzoek heropend en neuroloog dr. J.P. ter Bruggen benoemd als deskundige. Ter Bruggen heeft op 1 maart 2023 een rapport uitgebracht. Het Uwv en appellant hebben hierop gereageerd. Desgevraagd heeft Ter Bruggen op 17 november 2023 aanvullend gerapporteerd. Hierop hebben het Uwv en appellant opnieuw gereageerd. Op 15 mei 2024 heeft Ter Bruggen wederom aanvullend gerapporteerd.
Daarna heeft verzekeringsarts drs. M. Vervoort op 1 april 2025 op verzoek van de Raad als deskundige een rapport uitgebracht. Daarop hebben het Uwv en appellant gereageerd. Desgevraagd heeft Vervoort op 13 oktober 2025 aanvullend gerapporteerd. Appellant en het Uwv hebben hierop een reactie gegeven.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellant, die werkzaam was als taxichauffeur ouderenvervoer voor 38 uur per week, heeft zich op 30 mei 2017 ziekgemeld in verband met een longabces waarvoor hij van 29 mei 2017 tot 7 juni 2017 in het ziekenhuis was opgenomen. Verder heeft appellant sinds kinderleeftijd hoofdpijnklachten (clusterhoofdpijn, migraine en spanningshoofdpijn).
In het kader van een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling heeft een Uwv-arts appellant op een spreekuur gezien. Deze arts heeft in zijn rapport van 26 april 2018 vastgesteld dat de longklachten van appellant zijn hersteld en dat hij geen psychische klachten claimt. Volgens de Uwv-arts bestaan de huidige klachten van appellant uit hoofdpijn met multipele onderliggende oorzaken, die frequent belemmeringen in zijn psychosociaal en dagelijks functioneren geven. In verband met de ernst van de clusterhoofdpijnklachten acht de Uwv-arts één dag verzuim per week (maximaal 20%) aannemelijk. Hij heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2018.
Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 65% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen.
Het Uwv heeft bij besluit van 29 mei 2018 vastgesteld dat appellant met ingang van 30 juni 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2019 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen ten grondslag rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een gewijzigde FML van 9 januari 2019. Volgens deze verzekeringsarts is op de datum in geding niet gebleken van de door appellant geclaimde ernstige toename van clusterhoofdpijn met zeer frequent optreden van aanvallen en is een medisch bovenmatig ziekteverzuim daarom niet plausibel.
Uitspraken van de rechtbank
Uitspraak van 13 september 2019
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 bij uitspraak van 13 september 2019 gegrond verklaard omdat het Uwv in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgezien van het horen van appellant. Verder is het beroep gegrond verklaard wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb omdat het Uwv geen verklaring heeft gegeven voor een tegenstrijdigheid in de rapportages van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitvoering opdracht rechtbank
Ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2020 (bestreden besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2018 opnieuw ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 januari 2020 ten grondslag. Deze verzekeringsarts heeft appellant op de hoorzitting van 5 december 2019 gezien en heeft de door haar opgevraagde aanvullende informatie van de huisarts en behandelend artsen van appellant bij haar beoordeling betrokken. Zij heeft geconcludeerd dat appellant op de datum in geding, zijnde 30 juni 2018, niet volledig arbeidsongeschikt is en heeft verwezen naar de door haar (eerder) aangepaste FML van 9 januari 2019.
Uitspraak van 26 maart 2021 (aangevallen uitspraak)
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest. Verder is volgens de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische beperkingen van appellant en meer beperkingen had moeten vaststellen dan neergelegd in de FML van 9 januari 2019.
In een nader rapport van 2 september 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat externe objectivering van de hoofdpijnklachten van appellant ontbreekt en dat het bij het opstellen van de FML van 9 januari 2019 niet gaat om de subjectieve beleving van de klachten, maar om wat objectief medisch is vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat medische objectivering niet alleen wordt gezocht in actuele onderzoeksbevindingen, zoals anamnese en lichamelijk en psychisch onderzoek, maar dat ook de medische voorgeschiedenis wordt bestudeerd. Op basis van dit onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat geen medische gegevens aanwezig zijn over de toename van de hoofdpijnklachten van appellant in het eerste ZW-jaar en dat passend werk niet zal leiden tot excessief ziekteverzuim. Deze motiveringen zijn volgens de rechtbank inzichtelijk en de getrokken conclusies volgen logisch uit de verzekeringsgeneeskundige onderzoeksbevindingen. De informatie van de behandelaars van appellant bevat geen aanknopingspunten die voldoende grond kunnen geven voor twijfel aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
Voor zover appellant heeft betoogd dat de verwachtingen van zijn ziekteverzuim door de primaire arts (meer dan 25%) en de verzekeringsarts bezwaar en beroep (minder dan 25%) uiteenlopen, kan dat niet tot een andere beoordeling leiden. De betreffende passage in het rapport van de primaire arts waarnaar appellant verwijst moet volgens de rechtbank als een kennelijke verschrijving worden opgevat. Elders in de rapportage wordt immers melding gemaakt van een te verwachten verzuim van maximaal 20% en in de FML van 9 januari 2019 is dat bij de rubriek werktijden ook vastgelegd. Van een te verwachten ziekteverzuim in die omvang kan niet bij voorbaat worden aangenomen dat het verzuim zodanig excessief is dat het in redelijkheid niet van een werkgever kan worden gevergd. Niet gebleken is dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.
Procedure in hoger beroep
Het standpunt van appellant
In hoger beroep heeft appellant herhaald wat hij eerder heeft aangevoerd. In aanvulling daarop heeft hij erop gewezen dat er schade is aan de wervels C5 en C6, die mede zijn hoofdpijnklachten kunnen verklaren.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Wat betreft de medische gronden heeft het Uwv verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 oktober 2021, die op zijn beurt heeft verwezen naar de brief van de anesthesioloog-pijnspecialist dr. I.G. Bikker van 9 juli 2018.
Het oordeel van de Raad
In geschil is de of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 30 juni 2018 heeft beëindigd omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Waarom dat zo is, wordt hierna toegelicht.
Bij de Raad is twijfel ontstaan over de belastbaarheid en beperkingen van appellant op de datum in geding zoals vastgesteld in de FML van 9 januari 2019 en het te verwachten ziekteverzuim op de datum in geding, 30 juni 2018. Daarom heeft de Raad besloten om neuroloog Ter Bruggen als deskundige te benoemen.
Ter Bruggen heeft vastgesteld dat op de datum in geding, zijnde 30 juni 2018, sprake was van een combinatie van chronische spierspanningshoofdpijn, episodische migraine en vermoedelijk episodische clusterhoofdpijn van wisselend karakter en ernst en heeft meer beperkingen vastgesteld dan in de FML van 9 januari 2019 zijn aangenomen onder andere op de punten vasthouden en verdelen van aandacht, de urenbeperking en het ziekteverzuim. Hij heeft overwogen dat het normaal verdelen en vasthouden van de aandacht, onwaarschijnlijk lijkt in deze context en dat een normaal functioneren en een normale geluidsbelasting niet voorstelbaar lijkt. Wat betreft de urenbeperking heeft hij opgemerkt dat gezien de slechte nachtrust niet voorstelbaar lijkt dat appellant hele dagen en 40 uur per week zou kunnen werken omdat de meeste patiënten met chronische hoofdpijn, zeker in de gedragsmatige fase met tekenen van overprikkelbaarheid, het fulltime werken niet kunnen opbrengen (...) maar dat hij vanuit zijn vakgebied niet de vraag kan beantwoorden hoeveel uur appellant wel in staat was te werken. Met de beperkingen voor het persoonlijk functioneren heeft hij wel kunnen instemmen.
De kans op uitval door ziekte heeft hij hoog geacht. Niet alleen door de hoofdpijn, maar ook door alle gevolgen van de chronische hoofdpijn met slecht slapen, sociaal isolement, dagenlang in het donker liggen en wanhoop. Appellant zit duidelijk in de gedragsmatige fase van de pijn, waarbij hij zijn hele leven inricht rondom vermijden van de pijn. In deze fase van het chronisch (hoofd)pijnsyndroom bepalen niet-neurologische factoren de symptomatologie, net zoals bij een langdurig bestaand postwhiplash- en postcommotioneel syndroom.
De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben naar voren gebracht dat bij appellant sprake is van minder vergaande beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren, geluidsbelasting en de urenbeperking en dat de klachten van appellant op de datum in geding niet tot excessief ziekteverzuim leidden. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben er in dit verband op gewezen dat appellant, ondanks chronische hoofdpijnklachten, geruime tijd als taxichauffeur heeft kunnen werken en dat met name de clusterhoofdpijn invaliderend is, maar dat daarvan op de datum in geding blijkens de mededelingen van appellant zelf en de informatie van de huisarts uit 2018 in beperkte mate sprake was.
Vervolgens heeft de Raad verzekeringsarts Vervoort benoemd als deskundige voor het instellen van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Op 1 april 2025 heeft Vervoort een rapport uitgebracht. Vervoort heeft zich verenigd met de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 9 januari 2019. Vervoort heeft in de hoofdpijnklachten geen medische grond gezien voor het beperken van externe prikkels. Zoals ook de neuroloog Ter Bruggen heeft gesteld is sprake van gedragsmatige vermijding van prikkels. De gedragsmatige vermijding is volgens Vervoort een coping strategie en geen directe uiting van de onderliggende stoornis, en leidt op zichzelf niet tot beperkingen in de FML. De in de FML van 9 januari 2019 vastgestelde beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren en toelichtingen voor de werkomgeving, zijn invoelbaar en passend doch verdergaande beperkingen zijn niet op zijn plaats.
Vervoort heeft ook geconcludeerd dat de door Ter Bruggen beschreven problemen met het vasthouden en verdelen van aandacht niet gelijk zijn aan de criteria van het handboek Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Uit de rapporten van de (verzekerings) artsen van het Uwv blijkt namelijk dat appellant in staat is tot het voeren van een zelfstandig gesprek, wat volgens het CBBS een belangrijke indicatie is dat aandacht en concentratie voldoende te behouden is. Dit wordt volgens Vervoort zelfs als vuistregel gehanteerd voor het vaststellen van de mogelijkheid van een individu om de aandacht te behouden. Ook zijn deelname aan het verkeer is niet beperkt, dit sluit beperkingen op het gebied van aandacht en concentratie grotendeels uit. Verkeersdeelname eist namelijk een hoge mate van alertheid en verdeling van de aandacht. De observatie van Ter Bruggen dat de concentratie van appellant wisselend was tijdens zijn onderzoek wordt volgens Vervoort niet bevestigd in andere bronnen, waaronder haar eigen onderzoek. Ook in de verslagen van de verzekeringsartsen van het Uwv wordt hierover niet geobserveerd of gerapporteerd. Verder zijn er in de medische informatie rondom de datum in geding geen indicaties gevonden van traagheid in denken of aandacht- of concentratieproblemen.
Volgens Vervoort is geen sprake van een stoornis in de energiehuishouding. Het arbeidsverleden van appellant vertoont geen structureel disfunctioneren bij hoofdpijnklachten en de informatie van de behandelend artsen biedt geen steun voor de conclusie dat de duurbelastbaarheid van appellant structureel verminderd zou zijn. Ook is er geen medische onderbouwing voor een preventieve urenbeperking, zoals bij slaapproblematiek en/of een toegenomen recuperatiebehoefte. Appellant heeft de huisarts bezocht vanwege slaapproblemen, maar er was geen dermate ernst dat hij hiervoor nogmaals naar de huisarts is gegaan om opnieuw advies in te winnen. Verder heeft appellant vermeld dat hij zes uur per nacht slaapt, wat geen ernstige insomnia is. Uit de medische informatie blijkt geen intensivering van artsenbezoeken rond de datum in geding vanwege hoofdpijnproblemen en ook geen verandering in medicamenten of doseringen.
De conclusie van het Uwv dat op de datum in geding een ziekteverzuim van meer dan 25% bij passende arbeid niet te verwachten was, is volgens Vervoort in lijn met de gegevens uit het medische dossier en wat appellant anamnestisch meldde over het aantal clusterhoofdpijnaanvallen per jaar. De overige hoofdpijnklachten zijn langdurig bestaand en betreffen spanningshoofdpijn en migraine. Daarmee heeft appellant kunnen functioneren in arbeid, in eigen werk als taxichauffeur alsmede in zijn eigen bedrijf. De stelling dat het ziekteverzuim hoger ligt door een toename van de clusterhoofdpijn per datum in geding wordt niet onderbouwd door de medische informatie. De huisarts vermeldt in zijn notities van 10 april 2018 namelijk ‘soms clusterhoofdpijn’ en anesthesist Bikker meldt in zijn brief van 9 juli 2018 incidentele gevallen. Volgens Vervoort is structureel hoog verzuim op basis van de externe medische informatie dus niet plausibel.
Ten slotte heeft Vervoort opgemerkt dat nu er geen medische grond is voor het toekennen van verdergaande beperkingen, zij geen directe aanleiding heeft om te twijfelen aan de arbeidskundige uitkomst. Volledigheidshalve heeft zij de functiebelasting van de drie functies bekeken. Dit betreffen functies die technisch van aard zijn, met werkzaamheden in een productieruimte of werkplaats. Volgens Vervoort zijn er geen harde medische argumenten om deze functies uit te sluiten. De toegekende beperkingen zorgen voor geselecteerde functies die geen overmatige belasting in prikkels en stress geven en dat is in deze functies dan ook niet of nauwelijks aan de orde.
Op 13 oktober 2025 heeft Vervoort gereageerd op de door appellant geuite kritiek op haar rapport van 29 april 2025. Volgens Vervoort vormt gedragsmatige vermijding van prikkels geen medische grond voor aanvullende beperkingen. Verder is niet medisch onderbouwd dat het medicatiegebruik van appellant op de datum in geding leidde tot zodanige cognitieve of lichamelijke beperkingen dat sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid. Ook is de door appellant veronderstelde toename van hoofdpijnklachten na het longabces, niet medisch gedocumenteerd. Ten slotte heeft zij erop gewezen dat het de expertise van de verzekeringsarts is om de medisch vastgestelde stoornissen naar functionele mogelijkheden te vertalen. Vervoort heeft haar conclusie gehandhaafd dat er geen medische grond is voor aanvullende beperkingen of het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid per datum in geding.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De conclusies van Ter Bruggen worden onderschreven voor wat betreft de door hem gestelde diagnose op de datum in geding. Zijn conclusies over de gestelde cognitieve beperkingen zijn niet onderbouwd conform de CBBScriteria. Vanuit zijn vakgebied heeft hij geen harde conclusies kunnen trekken over de voor appellant op de datum in geding geldende beperking in de duurbelastbaarheid en het te verwachten ziekteverzuim. Het rapport van verzekeringsarts Vervoort van 29 april 2025, aangevuld op 13 oktober 2025 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Vervoort heeft appellant uitgebreid gesproken, een anamnese afgenomen en hem psychisch onderzocht. Verder heeft Vervoort medische informatie van de behandelend sector en de bevindingen van Ter Bruggen bij haar beoordeling betrokken. Ook heeft zij inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat en waarom zij uit verzekeringsgeneeskundig oogpunt anders dan Ter Bruggen en appellant geen reden heeft gezien om verdergaande beperkingen aan te nemen voor prikkels, aandacht en concentratie, voor een urenbeperking en voor een structureel hoog ziekteverzuim. De door de deskundige Vervoort getrokken conclusies zijn inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft na kennisname van de reactie van appellant van 30 mei 2025 op haar rapport van 1 april 2025, haar conclusies stellig en gemotiveerd gehandhaafd. De conclusies van de deskundige Vervoort worden onderschreven. Er is geen aanleiding om de FML van 9 januari 2019 voor onjuist te houden.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 januari 2019 en het oordeel van deskundige Vervoort dat deze FML juist is en dat de geselecteerde functies voor appellant niet ongeschikt zijn, wordt het Uwv gevolgd in het oordeel dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) C.E.A. Tessemaker