SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/2282 WIA, 23/2283 WIA
Uitspraak op de hogeren beroep tegen de uitspraken van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 21 juni 2023, 22/568 (aangevallen uitspraak 1) en 22/17 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Aan het geding in zaak 23/2283 WIA heeft verder deelgenomen:
[werkgeefster] B.V. (werkgeefster)
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Het gaat in de zaak 23/2283 WIA over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 24 december 2020 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het gaat in de zaak 23/2282 WIA over de vraag of het Uwv terecht appellante geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat bij appellante over de periode van 24 december 2020 tot en met 21 januari 2021 geen sprake is van toegenomen beperkingen. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens werkgeefster heeft mr. M.E.C. Koot, advocaat, een zienswijze ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 6 juni 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Namens werkgeefster is verschenen mr. Koot.
De Raad heeft het onderzoek heropend en verzekeringsarts drs. M. Vervoort als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 29 april 2025 rapport uitgebracht.
Het Uwv en appellante hebben een zienswijze op het rapport van de deskundige ingediend.
Op 10 januari 2026 heeft de deskundige nader gerapporteerd.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als orderpicker/productiemedewerker via [werkgeefster] B.V. voor 38,50 uur per week. Zij heeft zich op 21 april 2016 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 15 mei 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%, omdat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft. Op verzoek van werkgeefster heeft op 9 oktober 2018 een beoordeling plaatsvonden of de beperkingen van appellante ook duurzaam zijn en of appellante daarom in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 12 oktober 2018 meegedeeld dat appellante weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar niet duurzaam. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante bij besluit van 23 januari 2020 met ingang van 15 april 2020 een WGAloonaanvullingsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80100%.
23. 2283 WIA
Werkgeefster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 januari 2020, omdat daaraan geen actueel onderzoek ten grondslag lag. Vervolgens hebben een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv alsnog een herbeoordeling verricht. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2020. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft op 9 oktober 2020 een voornemen tot wijziging van het besluit van 23 januari 2020 aan appellante en werkgeefster bekend gemaakt, inhoudende dat appellante geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft bij besluit van 11 november 2020 (bestreden besluit 1) het bezwaar van werkgeefster gegrond verklaard, het besluit van 23 januari 2020 herroepen en de WIA-uitkering van appellante met ingang van 24 december 2020 beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Aangevallen uitspraak 1
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsartsen de medische belastbaarheid van appellante op 24 december 2020 in de rapporten van 11 augustus 2020 en 22 april 2021 op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden hebben gemotiveerd. De verzekeringsarts heeft in de FML van 11 augustus 2020 beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd dat er geen zodanige psychische klachten of functioneringsproblemen zijn, dat er op grond daarvan geen benutbare arbeidsmogelijkheden zijn. Dat de psychische belastbaarheid afwijkt van eerdere beoordelingen door het Uwv is op zichzelf geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen, omdat het gaat om een nieuwe beoordeling op basis van de medische situatie die op de datum in geding aan de orde is. Voor de fysieke klachten heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante beperkingen heeft voor zwaardere en intensief belastende omstandigheden waarvoor beperkingen zijn vastgesteld voor zwaarder of langdurig staande en lopende belastingen. Ook de medische informatie naar aanleiding van het ongeval van appellante heeft geen reden gegeven om zwaardere beperkingen aan te nemen. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 6 mei 2021 per item in de FML toegelicht waarom de belasting in de geselecteerde functies toelaatbaar is, dan wel dat er geen sprake is van een kenmerkende belasting in de functies. Omdat op 22 april 2021 de FML nog is aangepast vanwege een discrepantie in het rapport van de verzekeringsarts en pas in beroep sprake is van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing, heeft de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 6:22 van de Awb en het Uwv veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Voorts is aan appellante een schadevergoeding toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
23. 2282 WIA
3. Appellante heeft zich op 18 november 2020 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten. Bij besluit van 21 januari 2021 heeft het Uwv meegedeeld deze aanvraag om een herbeoordeling niet in behandeling te nemen, omdat eerst het verloop van het beroep tegen het bestreden besluit 1 moet worden afgewacht.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met een besluit van 15 december 2021 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, met een gewijzigde motivering, ongegrond verklaard en vastgesteld dat in de periode van 24 december 2020 tot en met 21 januari 2021 geen sprake is van een toename van beperkingen. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Aangevallen uitspraak 2
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank is verder niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat uit de informatie niet blijkt dat in de periode van 24 december 2020 tot en met 21 januari 2021 sprake is van meer beperkingen. De informatie van 13 juli 2021 van de GGZ heeft weliswaar geleid tot beperkingen, maar niet tot meer beperkingen dan die al zijn aangenomen door de verzekeringsarts. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om meer fysieke beperkingen aan te nemen. De klachten zijn door het verkeersongeval toegenomen, maar de klachten zijn met medicatie teruggebracht tot het niveau van voor het ongeval. Dat voor fysieke klachten een andere diagnose is gesteld, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om meer beperkingen aan te nemen. Ook de informatie over de kijkoperatie van november 2021 geeft geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen voor de periode waar de beoordeling op ziet. Tot slot heeft de rechtbank erop gewezen dat in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend zijn, maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief medisch kunnen worden onderbouwd. Een dergelijk medisch objectieve onderbouwing voor verdergaande beperkingen heeft appellante niet gegeven. Het Uwv heeft terecht besloten dat er geen sprake is van een toename van beperkingen in de periode van 24 december 2020 tot en met 21 januari 2021 en terecht geweigerd een WIAuitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellante
5. Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraken aangevoerd dat zij op beide data in geding volledig arbeidsongeschikt was. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar psychische en lichamelijke beperkingen. Zo is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat de behandelend sector uitgaat van een andere diagnose voor wat betreft de psychische klachten dan het Uwv. Ook zijn er in het functioneren van appellante geen wezenlijke wijzigingen opgetreden ten opzichte van de eerdere WIA-beoordelingen, die steevast hebben geleid tot de conclusie dat er geen benutbare mogelijkheden waren. De combinatie van het feit dat wordt afgeweken van eerdere beoordelingen, de informatie van de behandelaars en een weinig gewijzigd dagverhaal, geeft aanleiding om ernstig te twijfelen aan het medisch oordeel van het Uwv en rechtvaardigt om een deskundige te benoemen. Het Uwv is uitgegaan van een veel te rooskleurig beeld. Ook zijn de fysieke beperkingen onderschat. Uit de stukken van de huisarts uit 2020 en 2021 blijkt dat appellante veel pijn heeft en wordt doorverwezen naar een orthopeed. De relatief milde beperkingen die het Uwv heeft gesteld zijn daarmee niet in overeenstemming te brengen. Appellante heeft aangevoerd dat weliswaar de medische klachten zijn toegenomen als gevolg van het verkeersongeval in december 2020, maar dit heeft grotendeels geleid tot een toename van beperkingen voortvloeiend uit de voor dat ongeval al aanwezige lichamelijke en psychische problematiek. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op een verklaring van GGZ Breburg, waaruit een veel ernstiger beeld blijkt dan waar het Uwv vanuit ging. Wat betreft de lichamelijke klachten heeft appellante aangevoerd dat er sinds het ongeval in ieder geval sprake is van een toename van de beperkingen ten aanzien van lopen, traplopen en staan.
Het standpunt van het Uwv
6. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Het deskundigenonderzoek
7. De Raad heeft in wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd aanleiding gezien de deskundige Vervoort om advies te vragen over de medische beperkingen van appellante per 24 december 2020 en vanaf 24 december 2020 en vier weken nadien.
Deskundige Vervoort heeft in haar rapport van 29 april 2025 geconcludeerd dat de beschikbare medische informatie vanuit de curatieve sector en de verzekeringsgeneeskundige rapporten van het Uwv de gewijzigde beoordeling per 24 december 2020 bevestigen. In tegenstelling tot de psychische situatie van appellante in 2018 en 2019, waarin appellante kampte met een psychische klachten met volledig disfunctioneren en geen benutbare mogelijkheden, blijkt uit de informatie dat in 2020 er een ander psychisch beeld speelde. Appellante kampte ook toen met psychische problematiek, maar had wel mogelijkheden tot functioneren. De diagnose in 2021 vanuit de sGGZ bevestigt de aanwezigheid van stemmingsproblematiek, maar zonder kenmerken van ernstige of onbegrepen psychiatrische aandoening zoals eerder werd verondersteld. De inschatting op lichamelijk vlak is door de verzekeringsarts eveneens correct ingeschat. Alle klachten zijn meegewogen, maar de ernst daarvan is later beperkt gebleken. Op aanvullende onderzoeken door de orthopeed, radiologische en artroscopisch, bleek er geen ernstige pathologie te bestaan. De beoordeling in 2020 wijkt terecht af van die in 2018/2019.
8. Appellante kan zich niet verenigen met de inhoud van het rapport. Zij acht op de eerste plaats niet inzichtelijk hoe de deskundige tot haar conclusies is gekomen met betrekking tot de beoordeling van de psychische klachten. Appellante heeft aangevoerd dat de deskundige aan de ene kant aangeeft dat de psychische klachten die tot de hernieuwde start van de behandeling in juli 2021 hebben geleid, op de datums in geding ook hebben bestaan. Dit is anders dan het Uwv heeft geoordeeld. Desondanks wordt de gehele beoordeling van het Uwv van de psychische problematiek en de vertaling daarvan in de beperkingen op cognitief en sociaal vlak, door de deskundige in stand gelaten. Appellante acht niet inzichtelijk gemaakt hoe het kan dat het Uwv enerzijds ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de nieuwe aanmelding vanwege psychische problematiek, anderzijds geen aanvullende beperkingen heeft hoeven hanteren. Daarnaast blijft appellante van mening dat haar activiteitenniveau eind 2020/begin 2021 niet zo veel beter was dan in 2018/2019. Zo is bijvoorbeeld bij de beroepsgronden van 11 mei 2023 een verwijsbrief van de huisarts meegestuurd waarin journaalregels worden geciteerd waarin slaat dat appellante, behalve wat licht huishoudelijk werk, nauwelijks iets ondernam, nog steeds was aangewezen op thuisbegeleiding en wordt verwezen naar initiatieven als Het Kiemuur, om toch maar iets te ondernemen en onder de mensen te komen. Zelfs het maken van een wandelingetje na het eten is iets wat met de huisarts moet worden besproken. Ook tijdens de hoorzitting is opgemerkt dat appellante zich isoleerde en, behalve haar dochter, met vrijwel niemand meer contact had. Appellante is daarom van mening dat de deskundige haar sociale activiteitenniveau in die periode heeft overschat. Bovendien zijn de opmerkingen van appellante dat ze af en toe naar de sportschool gaat en contact heeft met een vriendin, gedaan in juli 2020. Daarna is de situatie verslechterd. Wat betreft de lichamelijke klachten, blijft appellante bij de eerder naar voren gebrachte beroepsgronden en acht zij het onderzoek hiernaar niet zorgvuldig.
9. De deskundige heeft in een rapport van 10 januari 2026 gereageerd op een nadere vraagstelling van de Raad en de zienswijzen van partijen. In reactie op de vraagstelling van de Raad heeft de deskundige meegedeeld dat in het rapport van 29 april 2025 in de beschouwing over de psychische situatie van appellante een onjuistheid is ontstaan in de bronvermelding van de externe medische informatie. De in het rapport genoemde diagnose in 2021 is niet afkomstig van Impegno, zoals ten onrechte is vermeld, maar afkomstig uit het sGGZ-intakegesprek bij Breburg, diagnostiek door psycholoog Mabelis, met verslaglegging daterend van juli 2021. Deze onjuistheid betreft uitsluitend de herkomst van de informatie en niet de inhoudelijke weging daarvan. De informatie bevestigt volgens de deskundige dat er op de datums in geding sprake was van stemmingsproblematiek van beperkte tot matige ernst, passend bij de vastgestelde beperkingen. In de reactie van appellante heeft de deskundige geen aanleiding gezien tot aanpassing van haar conclusies. De deskundige heeft erop gewezen dat het door appellante aangevoerde in haar beoordeling expliciet is besproken en meegewogen en dat dit ook in het rapport is beschreven. Daarbij is onderkend dat per datum in geding sprake was van psychische problematiek en beperkingen, maar is op basis van het geheel aan medische informatie, waaronder huisartsgegevens, psychologische informatie en het feitelijk functioneren, geconcludeerd dat het beeld per eind 2020 wezenlijk verschilde van dat in 2018 en 2019. Daarbij is door de deskundige vooropgesteld dat de aanwezigheid van klachten niet zonder meer betekent dat sprake is van dezelfde ernst en functionele consequenties als in de eerdere beoordelingsperiode. Dat appellante beperkingen had, is vertaald in de vastgestelde FML. De beschikbare informatie bood echter geen aanknopingspunten voor het aannemen van een situatie zonder benutbare mogelijkheden of voor verdergaande cognitieve of sociale beperkingen dan reeds zijn aangenomen.
Het oordeel van de Raad
10. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante en de weigering deze uitkering te laten herleven, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 24 december 2020 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante opnieuw in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat bij appellante over de periode van 24 december 2020 tot en met 21 januari 2021 geen sprake is van toegenomen beperkingen.
Medische beoordeling
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Die situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken en een gesprek gevoerd met appellante. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van het inzichtelijk en overtuigend gemotiveerde standpunt van de deskundige te twijfelen. De deskundige heeft op de haar gestelde vragen duidelijk antwoord gegeven en heeft geconcludeerd dat in de FML van 22 april 2021 voldoende rekening is gehouden met beperkingen van appellante op 24 december 2020. Verder heeft de deskundige aan de hand van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid inzichtelijk onderbouwd dat geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking.
De deskundige heeft zich kunnen verenigen met het standpunt van de verzekeringsarts dat bij appellante vanaf 24 december 2020 en vier weken nadien, geen sprake is van toegenomen lichamelijke dan wel psychische beperkingen. De deskundige heeft geen aanleiding gezien absolute of verdergaande beperkingen aan te nemen als gevolg van het ongeval dat appellante doormaakte in december 2020. Ook deze conclusie acht de Raad overtuigend.
De reactie van appellante op het rapport van de deskundige leidt niet tot een ander oordeel. Deze reactie bevat geen medische informatie of nieuwe argumenten die niet eerder naar voren zijn ingebracht. De deskundige heeft in de rapporten van 29 april 2025 en 10 januari 2026 de klachten van appellante uitdrukkelijk bij haar beoordeling meegewogen en inzichtelijk gemotiveerd waarom deze volgens haar niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen. De conclusie van de deskundige wordt dan ook gevolgd.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank wordt gevolgd in het door haar in de aangevallen uitspraak 1 gegeven oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 3 juni 2024 in reactie op de nadere gronden van appellante van 23 mei 2024, voldoende gemotiveerd dat de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraken worden wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering en de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijven.
11. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) D.M.A. van de Geijn