SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2711 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2024, 24/2164 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op 16 februari 2023 (de dag waarop de aanvraag is ontvangen) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden toen al als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd per die datum appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Voor appellant zijn mr. Rhodes en mr. I. van den Brink verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 2003, heeft met een door het Uwv op 16 februari 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant een lichte verstandelijke beperking heeft en last heeft van psychoses. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Er is informatie verstrekt door psychiater S. Wiersma die heeft verklaard dat appellant in januari 2023 een eerste psychose heeft gehad. Vervolgens is geconcludeerd dat appellant weliswaar geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 25 september 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 28 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank komen de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep logisch voort uit de medische stukken die appellant heeft overgelegd. De Uwv-arts heeft geconcludeerd dat er met passende behandeling en begeleiding nog een mogelijkheid is dat de bekwaamheden van appellant zullen toenemen. De Uwv-arts, die appellant op 5 juli 2023 op het spreekuur heeft gezien, en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben niet kunnen vaststellen dat in geheel geen toename van bekwaamheden meer te verwachten viel. Psychiater Wiersma heeft in een brief van 13 februari 2024 geantwoord dat er voor appellant nog behandelmogelijkheden zijn die zien op stabilisatie en herstel en dus op verbetering van functioneren. Daarnaast zijn er volgens de behandelend psychiater nog aanvullende behandelmogelijkheden voor de psychoses. De rechtbank heeft deze (aanvullende) behandelmogelijkheden ook teruggezien in de in beroep ingebrachte informatie van 13 mei 2024 van psychiater E. Kilic. Zowel deze psychiater als de maatschappelijk werkster/ambulant psychiatrisch begeleider hebben te kennen gegeven dat niet uitgesloten is dat er verbetering in de belastbaarheid kan optreden met behandeling, ook al is de kans dat dit lukt klein. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn reactie van 1 juli 2024, inhoudende dat arbeidsvermogen op termijn dus niet is uitgesloten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Bij besluit van 23 april 2025 is appellant per 31 maart 2025 een Wajong-uitkering toegekend. Appellant heeft gewezen op de aan deze toekenning ten grondslag liggende informatie van 31 maart 2025 van psychiater D. Cortlever. Daarin heeft Cortlever gesteld dat het door Kilic genoemde behandelplan geen effect heeft gehad omdat appellant chronisch psychotisch is en 24 uur begeleiding nodig heeft. Cortlever heeft verder gesteld dat de door Kilic voorgestelde behandelmogelijkheid ECT niet gebruikelijk is om in te zetten bij psychoses. Appellant heeft betoogd dat als deze punten worden geëxtrapoleerd naar 16 februari 2023, het ontbreken van arbeidsvermogen toen al duurzaam was. Appellant ziet zich in zijn standpunt gesteund door de opmerking van de Uwv-arts dat na herstel van de geen benutbare mogelijkheden-situatie opnieuw onderzoek zal moeten plaatsvinden en pas dan iets gezegd kan worden over de gerelateerde beperkingen en in welke mate deze aanwezig zullen blijven.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering per 16 februari 2023 (datum in geding) in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Niet in geschil is dat appellant op 16 februari 2023 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) had, omdat hij op die datum geen benutbare mogelijkheden had. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen per die datum al duurzaam was.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn.
Met inachtneming van het vorenstaande wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat op 16 februari 2023 niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellant zich konden ontwikkelen en dat van een duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen geen sprake was. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Zoals de Raad eerder heeft overwogen moet de vraag of appellant op de datum in geding verkeert in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen, beantwoord worden aan de hand van de gegevens die bekend zijn op de datum in geding of nadien over die datum bekend zijn geworden. Het betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op dat moment, waarbij de omstandigheid dat die verbetering achteraf bezien niet heeft plaatsgevonden geen rol mag spelen. In de informatie van 31 maart 2025 van Cortlever zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat al op de datum in geding sprake was van een situatie dat appellant in een toestand verkeerde waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet zouden kunnen ontwikkelen. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 april 2025 toegelicht dat uit deze informatie blijkt dat de klachten van appellant geleidelijk zijn toegenomen, appellant nu chronisch psychotisch is en de hoofddiagnose is gewijzigd in schizofrenie. Er is sprake van een stabiele medische situatie waar inmiddels geen behandelmogelijkheden meer voor bestaan vanwege diverse redenen, zoals het weigeren van medicatie en antipsychotica die geen effect hebben. Uit dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat de situatie per 31 maart 2025 aanmerkelijk anders was dan op de datum in geding. Het beroep op de in het rapport van 21 september 2023 onder 3 genoemde opmerking van de Uwv-arts slaagt evenmin. Deze opmerking zag ten eerste alleen op het deel van de beperkingen van appellant dat voortkomt uit zijn ontwikkelingsstoornis en neemt bovendien niet weg dat de Uwv-arts in het vervolg van zijn rapport heeft toegelicht dat met passende behandeling en begeleiding toen nog een mogelijkheid bestond dat de bekwaamheden van appellant zouden toenemen.5.5. Gelet op 5.4 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellant op 16 februari 2023 niet duurzaam was en appellant daarom per die datum niet als jonggehandicapte was aan te merken.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering per 16 februari 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en H.G. Rottier en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.